Warning: Invalid argument supplied for foreach() in /var/www/vhosts/schrijfzolder.be/httpdocs/core/php/inzendingen.php on line 544

Warning: Invalid argument supplied for foreach() in /var/www/vhosts/schrijfzolder.be/httpdocs/core/php/inzendingen.php on line 569

Warning: Invalid argument supplied for foreach() in /var/www/vhosts/schrijfzolder.be/httpdocs/core/php/inzendingen.php on line 30
Schrijfzolder

Een verhaal van Henk Gruys

Vorige: Eureka, euforia, utopia - Afl. 1 van 3 Volgende: Eureka, euforia, utopia - Afl. 3 (slot).
Eureka, euforia, utopia - Afl. 2 van 3
Duizelig ging ik de achterkamer binnen, een van holle voetstappen klinkende ruimte, nog vervuld van de bedorven atmosfeer van voorgaande weken. Maar ik kon niet blijven, ik voelde me te ongedurig, mijn bloed kende weinig rust. Verder moest ik over de bonzende vloeren, en ook de kleinere kamer aan de straatkant betrad ik. En overal holle leegte trof ik aan. Schimmen of onzichtbare personen leken nergens achtergebleven.
    Enigszins beangst beklom ik de zanderige trappen die naar slaapkamers voerden, maar die steevast uitkwamen bij een schuinte, lattenscheiding, metselschoorsteen of lage overloop. Die dan weer verbonden bleken met benauwde slaapvertrekjes onder het dak. Alle onwelriekende en weinig opwekkende verblijven.
    Ook een tweede huis ging ik binnen en ik bekeek overal die kamers, alkoven en hokken – blijkbaar getimmerd volgens een standvastig plan, in een ver verleden opgesteld en hier en daar weer gewijzigd – met afkeer, maar langzamerhand ook met een aan euforie grenzende nieuwsgierigheid.
    Juist omdat alles, ja letterlijk alles nog leek doortrokken van de armoedige adem der verdwenen bewoners, alles. Alle belevenissen van hen die hier hadden geleefd, waren gestorven of geboren, alle zinloze woorden hier ooit gesproken, geuren die waren opgesnoven, alle avonden die voorbij waren gegaan, pijnen die waren ondergaan, ze leken – nog niet lang geleden tot rust gekomen – mij te worden medegedeeld door een geluidloze maar alom tegenwoordige stem.
    En wat ik niet horen kon, dat zag ik wel. De meest uiteenlopende consequenties van hun jarenlange aanwezigheid, van hun half vrijwillige, half gedwongen verblijf in deze armoede en misère kon ik aflezen van de onmerkbare tekens en toevallige krassen die ze overal hadden achtergelaten. Op deuren en raamposten, gaskranen en stortbakken. Voor anderen misschien niet zichtbaar, maar voor mij als zeldzaam helderziende nu eenmaal even veelzeggend als de openhartigste dagboeken.
    Want deze armoehuurders, hun hele hopeloze leven en desperate lot, hun onophoudelijk tekortschieten op alle gebied, dat hen tot weerloze slaaf van hun eigen leven had gemaakt en tenslotte zonder medelijden naar de ondergang zou voeren – dat werd me duidelijk, als vertoond door oude projectiemachines met verwaasde bioscoopbeelden binnen een universele schedel.
    Degenen die hier hadden voortgewoekerd en rondgekrabbeld, waren niet in staat gebleken hun eigen situatie te beschouwen! – Of indien al: ze zouden van ontzetting reeds gek zijn geworden of de vreemdste kankers hebben gekregen.
    Dus moeten zij ondanks alles nog verwachtingen hebben gehad. – Verwachtingen! Allang uitgestorven was de mens, indien zijn leven niet in stand werd gehouden door wee gezichtsbedrog en laffe fata morgana\'s, waarvan hijzelf voortdurend het slachtoffer is. Nog meer dan van de loze beloften en valse hoop der religies, waarvan de luide en vervaarlijke verkondigers tenslotte ook sterven en neervallen in de modderige kuil van de verrottenis.
    De droefgeestigheid die mij in deze kamers overkwam... Ik belééfde het als hoger wezen, ik leed het zelfs enigszins mee.
    Maar dieper dan vaag medelijden ging het ook deze keer niet. – Geen lafheid is het, geen angst voor het onbekende. – Maar eigenlijk veràcht ik mensen die leven in zulke nietigheden. En heb ik ten aanzien van hen nooit meer dan een afstandelijke beschouwer kunnen zijn.

Maar van de ware, diepere geheimen had ik nog weinig ontdekt. Daarom wilde ik voorlopig niet weg. De hele ochtend doorzocht ik de zongeurige vertrekken. Maar niets bleek er achtergebleven, zelfs geen brief of verkreukeld fotootje van iets.
    Ik voelde mij al die uren koortsachtig, hoewel rustiger dan in het begin. Ik dacht terug aan vroegere tijden; die eens bestaan hadden maar nooit meer terugkwamen. – Dan was ik, jaren jonger, tegelijk in andere, mooiere huizen, met grotere kamers, maar die toch op deze leken, alsof ze erin of omheen gebouwd waren. Begon ik het denkbeeldige meubilair te verplaatsen tot ik zeker wist dat het goed stond, schilderijen op te hangen aan de slordig grijs overgeschilderde wanden. En maakte ik in de keukens de fornuizen aan omdat er geserveerd diende te worden voor vele gasten. Die ik gisteren misschien kende, maar waarvan ik nu alweer vergeten ben wie dat waren.
    Herhaaldelijk gebeurde het daarbij dat een zonval in de echte kamertjes of het toevallige patroon van de gebladderde verf op een raamkozijn mijn gedachten terugvoerden naar mijn jeugd. Of beter naar mijn oude huis, toen we daar nog woonden. Dat is het verleden dat overal met mij mee dwaalt als een bedwelmend gas.
    Toch was het niet onverdraaglijk zo aan vroeger tijden herinnerd te worden. Integendeel, het versterkte eens te meer de zacht troostende vergetelheid en nostalgie die ik deze ochtend ondervond.
    Ik beschouwde weldra al die kamers en alkoven als mijn heiligdom, de hele rij. Door ze in te lopen als ik op zoek was, nam ik er als het ware bezit van. Ik ging ze meestal binnen via achter- of voordeur, niet zelden omgeven door de zware lucht van schoorsteenroet. Maar ook kon ik ze een enkele maal van binnen af betreden via doorlopende zolders, of omdat hier en daar door de bewoners een primitieve deur in de houten tussenwanden was gezaagd. Niet meer dan een enkele maal moest ik mij met geweld toegang verschaffen.
    Regelmatig ook ging ik naar buiten. Want steeds sterker voelde ik – al was er niet eens zoveel dat aanleiding gaf – dat achter die verzameling ingestorte en scheefgezakte hokken een lage duinenrij met smal strand moest zijn, waarachter meteen de zee begon. Een kalme zee met matige branding moest dat zijn, enigszins bolstaand en onder roodblauwe prismatische lichtstralen uitgestrekt. Als ik in de tuintjes zat (in één stond nog een oude rieten stoel) dan voelde ik, recht tegenover die furieus vlammende zon, de verkoelende friste van zijn golven weldadig op mij inwerken.
    Toch was ik buiten niet minder op mijn hoede dan in de huizen. Zou men mij binnen ongetwijfeld als insluiper beschouwen en buiten niet meer dan een ongenode bezoeker... zelfs dáár stond de angst op mij te wachten. Dat "zij" er plotseling zouden zijn om me te arresteren. Ikzelf  mag dan in hoofdzaak in mijn eigen waarheid leven – de "anderen" zouden mijn onverklaarbare aanwezigheid  tussen de heggen of achter de vensters stellig niet accepteren. – Loze angst was dit niet. Want al was het hier in zekere zin afgelegen te noemen, er raasden regelmatig auto\'s voorbij.
    Maar tot dusver was er niet één gestopt. En geen toevallig passerende fietser bleek nieuwsgierig genoeg om een blik door de gescheurde vitrages naar binnen te werpen om mijn geheim te ontdekken. Zo bleef ik tenslotte toch alleen. Er gebeurde niets, de hele ochtend.

Altijd als ik ergens anders was dan thuis, voelde ik mij pas echt ontvlucht uit de witte inrichting, waar men mij tot voor kort opgesloten hield en van de buitenwereld afgesloten. – Maar toch ontsnapt, en thans hopelijk definitief onvindbaar.
    Dus ook onzichtbaar voor de bewakers en medici die mij observeerden door het kogelvrije kijkglas in de gecapitonneerde deur van mijn cel. Van uur tot uur, om te zien of ze mij onverwacht met de behandeling konden overvallen die ze al drie maanden geleden voor mij hadden uitgezocht.
    Spoedig was duidelijk: slechts een object was ik voor hen, een machteloos slachtoffer voor hun wraak. Op den duur hoopten ze mij te elimineren. En één keer moest hen dat gelukken, en daarom mochten zij mij hier niet verrassen.
    Wat zou ik tegen hen kunnen ondernemen? Ik ben allang vergeten hoe ik mij tegen de anderen te weer moet stellen. Gewend rond te kruipen in het stof en de smerigheid, kan ik mij ook nauwelijks nog een ander leven indenken.
    Gesard, geschopt en geslagen ben ik al sinds mijn vroegste herinnering. Onder andere op de scholen die ik nooit heb kunnen voltooien. En na schooltijd door mijn medeleerlingen volgens vast ritueel elke middag bijna gestenigd in de straten, als ik op de terugweg was naar huis. – Zelfs nu, twintig jaar later, begin ik van de herinnering te beven.
    Maar ik heb in die tijd wel geleerd, mij als dat nodig was terug te trekken. Mij daar te verbergen waar het onmogelijk was dat zij mij ontdekten. Steeds vaker dan in de buurt van vijandigheden, verkeerde ik dan in allesoverheersende dromen (later niet eens meer dáárom), waar de situatie steeds meer werd bevolkt door vreemde monsters, infantiele dwergen, gevallen engelen en wezens die ik hield voor wraakgodinnen. Die zich meestentijds vermomden als onzichtbare stemmen, letterachtige tekens of ondefinieerbaar straatlawaai. Altijd eerst waren er hun stemmen, en dikwijls daarna ook hun vage vormen. Waren ze maar wat duidelijker, dan hadden we voor enige tijd van gestalte kunnen ruilen. Maar dichtbij vertoonden ze zich nooit.
    Eén schim is er nochtans die ik mij vaak iets nader voorstel. Ook deze ochtend werd rond die zanderige uitzichten van de erven en ongrijpbare schaduwen iets van haar verschijnen in mij wakker. Wie was zij? Een gevallen engel, een in donkere tijden aan de brandstapel ontkomen heks? Dat liet zich niet bepalen. Geen van haar gefluisterde woorden heb ik ooit kunnen verstaan.
    Haar verschijnen leek de zichtbaarheid soms te benaderen. Zodra ik echter de handen bracht in haar nabijheid, de ruimte om haar heen aftastte, wat een sensatie gaf van warmte en koude door elkaar, begon ik mij te schamen en kon ik niet verder.
    Zijzelf veranderde haar ongenaakbaarheid niet. Soms meende ik dat zij mij zelfs vijandig was. Het was niet te zeggen waarom, al heb ik er gedachten over. In een wereld die op ander gebied even onstandvastig is als de branding van een woelige zee, bleef zíj een onverbeterlijk en weinig beïnvloedbaar wezen.

Later in de middag intensiveerde ik, op haar aandringen, mijn bemoeienissen nog en werkte al mijn plannen tot in de perfectie uit. Ik vergrootte alle kamertjes tot paleizen van kristalglas, verlengde de trappen naar de slaapverdiepingen onvermoeibaar tot torenhoog, waar tenslotte krijtwit licht in textielgeur extatisch de zomerhemel bestormde; en weer neergedaald in de middaghitte ontwierp ik brede Franse tegelterrassen met uitzicht op grijsblauwe gazons met slanke cipressen, galerijen van donker verweerde vrouwenbeelden en een grand canal tot aan de kim.
    En toen alles was voltooid, overzagen wij het samen, zij en ik, en liepen we zwijgend naast elkaar voort, ontdaan, maar nog meer verslagen, tot wij bij alle trappen, kasten, zolders, gangen en overlopen van de naar oud middaghout geurende woninkjes waren geweest. En we moesten erkennen dat alles tevergeefs was en verloren. Ik de oplossing die ik had vermoed toch niet had kunnen vinden.
    Toegegeven: ik had het van tevoren kunnen weten. Maar de kleine kans dat het nu wel zou gelukken de betoveringen een blijvend karakter te verschaffen, had ik niet onbenut willen laten.
    Maar ook nu was alles weer vruchteloos. Tenslotte had zij mij zelfs uitgelachen, zich met de anderen tegen mij gekeerd.
    Wat er verder nog gebeurde herinner ik mij slechts bij vlagen. De lucht in de stinkende kamers had zich nadien sterk verdikt, de wanden en de vloer met kleverig spinrag bedekt en het ademen bemoeilijkt.
    Ik was vrijwel uitgeput, kon nog wel uren betogen, maar was slechts gedeeltelijk in staat waar te nemen en te denken.

Tegen het eind van de middag (en dichter bij de dood) schonk ik ons beiden een zoete oranje drank, onder een parasol in de groen gebladerde tuin, die een geestesbeeld was van de zanderige achtererven. Ik zou mijn verdere zoekpogingen in de kamers wel kunnen hervatten, maar wilde mijn dierbaarste schim onder geen voorwaarde meer alleen laten.
    Uit de radio die ik aan had laten staan, kwam symfonische muziek, dezelfde als ik ook al \'s morgens had gehoord. Het is muziek waar misschien maar drie of vier maten in voorkomen die opvallen, maar die zijn dan ook zo ongelóóflijk dat je het hele stuk telkens opnieuw wilt horen... Maar vóór de klanken in onze oren waren opgenomen, leken ze al vervlogen. Misschien had ik er toch nooit veel om gegeven.
    Ook vervluchtigden mijn spookachtige lotgenoten steeds meer nu de zon lager was gekomen. Alleen hun hete gefluister in kasten en wc\'s kon ik nog een hele tijd horen.
    Bewegingen zijn er nog buiten van grote blanke vogels die schuin zeilend door de lucht gaan, effectief en zeker; zo nu en dan door een sterk overstralende zon aan het oog onttrokken.
    En waar de blik lager gaat, zijn achter de schuren de koele zee en extatische duinen verdwenen. Een onafzienbare Sahara van rood stof strekt zich thans uit, waar zoëven nog branding en zilte geuren waren.
    De neerslachtige stemming, allang voorspelbaar, had zich vanaf dat moment definitief in mij genesteld. De middag was aan het afsterven, en het was juist dat geelachtige verzwakte licht met zijn sluipende ontmoediging, erger nog dan de zwarte weerloos makende nachten, die mijn twijfel over alles zo onweerhoudbaar deed groeien.
    Uiteindelijk moest de conclusie wel luiden dat al mijn inspanningen verkeerd gericht waren en ik mijn kansen nodeloos had verknoeid.
    Of misschien veel erger: dat juist mijn bezorgdheid niet groot genoeg was geweest. – En ik met een weinig meer moeite mijn doel wèl had kunnen bereiken.
(Wordt vervolgd met nog één aflevering).
Log in om uw stem te geven aan deze inzending.

Reacties:

  • Er zijn nog geen reacties