Een verhaal van Henk Gruys
Vorige: Slopers Gevraagd - Afl. 4 van 5
Volgende: Nat Gonella in de Oorlog - Afl. 1 van 4
Een inpandige gang in een groot gebouw voerde naar het hotel – "een van de duurste van de stad," volgens Frits. Lino strompelde voort door de gangen, niet alleen uitgeput door zwakte, maar misschien nog meer door de onbarmhartige eindeloosheid van dit glazen doolhof, verlicht door vijandige gele lampen.
Aan het einde van de corridor was een hek van goudkleurige spijlen. Lino voelde zich, ondanks dat ze niet verder meer hoefden, in het geheel niet beter. Frits opende een halfronde poortdeur in een zijgang.
"In deze kamer wonen wij voorlopig," zei hij, "mijn vriendin en ik." Lino zag een hoge vierkante ruimte vol gele fluwelen kussens, indirect uit het plafond verlicht. Een ronde dikke zuil middenin was met dezelfde stof bekleed.
Een jonge vrouw in avondtoilet van geel brokaat lag voorover op een geel kussen met de hand onder haar hoofd hen aan te kijken.
"Mag ik je even voorstellen," zei Frits, "dit is Cara, mijn aanstaande vrouw."
En nu zag Lino dat het inderdaad Cara wàs – vakkundig en smaakvol opgemaakt en met gefriseerde haren. – Hoe is dit alles mogelijk, was het eerste dat hij kon bedenken. "Cara,.." stamelde hij. Hij liep bedeesd op haar toe en pakte als in een droom haar hand. "Cara, wij hebben nog... een tijd geleden... Jij was..." Exquis parfum wolkte om haar heen. Hij wilde haar hals aanraken, maar trok zijn hand terug.
"Toen je mij," begon Cara, naar hem opkijkend alsof hij haar iets gevraagd had. "Toen je mij dat allemaal vertelde over je broer, Lino, toen vond ik het werkelijk niet noodzakelijk om hem op te sporen. – Ach, waar het allemaal mee aanving... Het belangrijkste was dat ik nogal spijt kreeg dat ik toen zomaar bij je weggelopen was daar. Maar ja, ik kon je vervolgens al nergens meer bereiken... Ik heb je nog op dat regenachtige meer bij het ziekenhuis trachten te zoeken... Enfin, ik reisde dezelfde dag nog door naar Parijs, omdat ik een vermoeden kreeg van wat je van plan was, je had het er steeds over. En kwam te Parijs toevallig terecht in de toeristenservice die door je broer werd begeleid. We raakten in een heel aardig gesprek. En van het een kwam het ander... En zo ben ik dus met Frits in contact gekomen, en dan nu... nou ja..."
"Maar jij had ooit gezegd..." stamelde Lino. Hij had nog weinig gesproken, maar een golf van melancholie sloeg in hem omhoog. – "Ach Cara, ik had mij het weerzien zo heel anders voorgesteld..."
Cara sloeg haar ogen neer en vervolgde: "Ik had alsmaar het idee dat je enorm boos op mij was in dat park, vanwege dat rare gedoetje in het watercircus, weet je nog? Dat je enorm de pest in had en niets meer met mij te maken wilde hebben. En toen Frits dus... Enfin, hij heeft mij tenslotte... En wij..."
"En je hebt ja gezegd..."
"Waarom niet?.... Je bent toch niet nog steeds... Of toch?"
"Overigens," mengde Frits zich nu in het gesprek, "wist ik helemaal niet dat jullie elkaar kenden. Het spijt me, beste kerel, als er iets tussen jullie is geweest – wat hèb je toch steeds?"
"Welnee!" riep Lino nu uit, "wat zeggen jullie toch allemaal? We kennen elkaar immers helemaal niet zo goed, Cara en ik! Die ontmoeting van ons stelde toch niets voor? Het waren niet meer dan loze praatjes... Het spijt mij Cara als ik je daarmee zo\'n verkeerde indruk heb gegeven!"
Hij voelde dat zijn stem begon te trillen van woede. Terwijl hij toch eigenlijk nergens een reden kon hebben, een echte, onbevooroordeelde en objectieve reden, om woedend te zijn. – Maar onderdrukken kon hij zijn ontgoocheling niet. Hij werd duizelig, moest zich staande houden aan de fluwelen zuil.
"Je bent dus kwaad," zei Cara op bijna constaterende toon. En zachter tegen Frits: "Waarom is hij ondanks alle ontkenning dan evengoed boos?"
"Blijf bij ons vanavond, beste kerel," zei Frits hartelijk. "Blijf hier, tenminste tot morgen... Je bent hondsberoerd, ik zie het, je kunt nog nauwelijks op je benen staan, waar wil je in godsnaam naartoe?"
"Mij mankeert niets," zei Lino hooghartig terwijl zijn knieën knikten. "Ik ben thans zo ongeveer aangeland op de bodem van mijn kunnen, maar van hier weggaan lukt toch nog met gemak! Ik ga hier weg en kom niet meer terug. – En de reden is dat ik genoeg heb van jullie leugens en schijnheilige praatjes... Dus ga ik.. Dus zeg ik jullie allemaal dat ik..."
Hij was als dronken. Hij ging wankelend naar de boogdeur en smeet hem open. Zonder om te zien verliet hij de gele kamer. – "Híj zou ongeneeslijk ziek zijn,"schamperde hij, toen hij weer in de gang was. – "Ja, zo ziek zullen wij allemaal nog wezen!" Minachting vertroebelde iedere redelijkheid tegenover zijn broer. "Zeker weer een van zijn flauwe grappen!" – De aversie zat hem tot in de strot.
Hij verdwaalde in de gangen en kwam aan een heel andere kant van het hotel uit.
Toen hij buiten stond, zakte hij bijna ineen van zwakte, moest hij zich als een dronkeman vastklampen aan een lantaarnpaal.
Juist dezer dagen was het in deze wijk een enorm kabaal. Overal ronkten dieselmotoren, stonden in hele rijen compressoren voor de sloophamers te schudden op hun wielen en dreunden alom de steenstortingen van de omver gehaalde gevels. Tegenover het hotel was een geweldige machine op stalen rupsbanden hele happen uit het huizenblok aan het nemen, om die vervolgens met donderend geweld tussen zijn kaken te vermalen. In honderden stofflarden leek de omgeving uiterst fragmentarisch opgetrokken.
Lino loensde flauw naar de overkant. Gebeurde dit alles omdat wegwerkers met ratelende boren... het beton uiterst moeizaam... wegbreken?...
.....of omdat er op de braakliggende terreinen ernaast grote... reclameborden met dynamische verkoopkreten...
waren ... opgesteld... Of zag hij de..... mist... zo weinig...slechts
Een verre verre schim... En daarna hoogstens.....
.....Was er dan...
.....niets.....
.....meer.....
.....Nee niets???.....
Een afscheid van allen
Men vond Lino tenslotte terwijl hij halfdood in een straatgoot lag. In deze toestand werd hij binnengedragen in een bijzonder smerig eetlokaal voor zwervers in de Rue Ste. Clothilde, doornat.
Hij was zo ziek dat hij zijn hoofd nauwelijks kon opheffen. In zijn oren gonsde lawaai of er zwermen kwaadaardige insecten huisden. Van tijd tot tijd sloeg hij zijn ogen van het onsmakelijke voedsel op zijn assiette op naar de vlekkerige binnenmuren, alsof daarvandaan nog redding was te verwachten.
Alle daklozen, en ook hij, zaten onder arm lamplicht aan schraagtafels met gelig zeil gedekt. Omdat de gulzigste eters telkens van plaats opschoven als hun borden leeg waren, hield het gemor en geduw rondom hem geen ogenblik op.
Lino had bijna niets van het voorgezette gratis maal genomen, slechts een slokje wijn gedronken. – Zo is het dan toch weer terug gekomen, mijn ongeluk, dacht hij, dat blijkt weer. En ik had nog gehoopt dat ik het eindelijk beheerste.
De Hollandse pastoor Alosyanus was naast hem komen staan. Hij schraapte zijn keel en trok een quasi-opgewekt gezicht. – Alosyanus was het die sinds jaar en dag de organisatie in het onderkomen der clochards leidde. Hij zei zoetsappig: "Ik heb een paar bekenden voor je meegenomen, Lino." – Achter hem stonden Cara en Frits, met natte haren en blozende wangen.
Cara zei onmiddellijk: "Ga naar huis Lino! Eindelijk! In het belang van iedereen en niet in het minst van jezelf! Blijf niet lager ronddolen in een stad waar je niet eens goed de weg weet! Je bent er slecht aan toe, en veel slechter dan je zelf vermoedt. Parijs maakt ziek, dat is maar àl te bekend bij de duizenden die je vóór zijn gegaan. En als je reeds problemen hebt, zul je je hier alleen nog maar beroerder voelen!"
Maar Lino toonde zich steeds onwilliger het oor aan hen te lenen en keerde zich af. Een houding die voor Alosyanus reden was zich volledig van hem te distantiëren. "Sta op," gebood de pastoor veel gestrenger. Frits en Cara bleven afwachtend toekijken. "Sta op en laat de anderen niet zo lang wachten!" –
Hij had in zoverre gelijk dat, zodra Lino door hen overeind was getrokken en naar de deur gevoerd, er heel snel twee nieuwe havelozen aanschoven op de vrijgekomen plaats.
Slopers gevraagd
Maar toen Lino eenmaal buiten stond en dus ook buiten de invloed van zijn zogenaamde beschermers, zei hij bij zichzelf in een opvallend helder ogenblik: Wat heb ik eigenlijk nog met hen te máken; met deze pseudo-vrienden en Frits, als zij dan zo weinig met mij op hebben? Ja wat heb ik eigenlijk nog met íemand te maken? Ik heb mijn leven al veel en veel te lang door anderen laten leiden en beredderen. Ik had het eerder moeten bedenken... Ik heb geen verplichtingen meer. Ik hoef niet meer naar mijn broer te zoeken. Niet meer lief en meegaand tegen Cara te zijn. En niet meer die zogenaamde schoolvriendjes met fluwelen handschoenen aan te pakken. Ik hoef me niet meer iets aan te trekken van stompzinnige psychiaters. Niet meer te proberen in een goed blaadje te komen bij die maffe roomse paap; me niet meer te bemoeien met Nederland en ook niet meer met Frankrijk. Niets meer... Vanaf heden zal ikzèlf wel eens mijn richting bepalen! Ach, wat is dit zogenoemde verleden nog waard. Het tèlt niet meer voor mij!"
Hij begon de Rue Ste. Clothilde uit te lopen, in de richting van een brede geheel verlaten verkeersader.
En iedere pas die hij deed, iedere voetstap die hij op de stenen van de stoep zette, deed hem zich beter gevoelen. Zijn ziekte loste eenvoudig op in de lucht die hij inademde, kalfde af door de energieke voornemens die bezig waren zich in zijn brein te ontwikkelen.
Tegen een lantaarnpaal op de hoek zag hij een eenzame fiets. Toen hij, nieuwsgierig geworden, er aarzelend op toeliep, zag hij dat het zijn eigen rijwiel was dat hier stond. Zijn oude fiets die hij had achtergelaten in zijn geboortestad, toen hij een maand geleden, gedwongen door technisch mankement, in de autobus had moeten stappen.
Geen seconde hield hij zich bezig met het raadsel van de verplaatsing. Ook geen noodlottige herinnering vermocht zijn herwonnen wilskracht nog aan te tasten.
Hij zette de fiets die wat scheefgezakt was, weer rechtop en sprong krachtig in het zadel. – Maar moest vervolgens ervaren dat de fiets nog steeds even belachelijk zwaar trapte als toen hij er in Nederland het laatste stuk op had afgelegd.
Maar wat gaf het? Met waarlijk titanenkracht immers kon hij de pedalen rond krijgen, slaagde hij er ondanks alles in met normale snelheid in de gebogen straat vooruit te komen!
Zijn stemming werd zelfs prima, mede door de steeds voortvarender tocht over het glanzend asfaltoppervlak. En helemaal toen op een stuk met oplichtende wielsporen hem doodleuk slingerend een piepkleine groene auto passeerde, achtervolgd door een zware bromfiets met duopassagier met een erg paardengebit, die hem iets grappigs toe schaterde, op topsnelheid.
Toch bleek het nog steeds niet eenvoudig zijn weg te kiezen, met zijn onbetrouwbare stratenkennis en gebrekkige richtinggevoel. Dat was een zwakte, waarin Cara en Frits misschien wel een beetje gelijk hadden. Maar de hoofdoorzaak van zijn moeizame oriëntatie lag toch in het feit dat er in veel straten ongeveer alles werd gesloopt. Op veel hoeken begonnen afzettingen, wegversmallingen en hekwerken zijn route te bepalen. En toen hij op een bredere weg, een plein haast, waar nog weinig was weggebroken, recht op een enorm en hoog gebouw aankoerste – het leek een overheidsinstelling of universiteit, met honderden ramen, pilasters, frontons en penanten – zakte dit twee seconden later op een wolkende ondergrond van stof rechtstandig in elkaar. Knallen die de instorting hadden kunnen inleiden, waren niet te horen, maar achteraf klonk gedreun als een onweer. Een compacte wolk van puin vol opspringende stenen schoof laag en ontstellend vlug op hem aan, als een vloedgolf uit de oceaan. Juist op tijd wist hij aan verplettering te ontkomen door af te slaan naar een zijstraat.
Staande op de trappers liet hij het gevaar achter zich en reed zwaar doch met gewone snelheid een andere, brede boulevard op. Er was geen verkeer. Slechts in de verte enige handwagens en een luxe auto met houtgasgenerator, die omhoog kroop tegen het asfalt. In de verte zag hij, net als in de ballontuin, de Arc de Triomphe die zich lijnscherp aftekende. Maar ditmaal de echte, op ware grootte.
Maar ook daar was het gaande! Ook daar! De Arc! o god de Arc, dacht hij. Het monument draaide een stukje als verschoof het op zijn fundament. Toen leek het voorover te hellen, steeds meer. Hij remde en keek verbijsterd. Geleidelijk veranderde de triomfboog voor zijn ogen in honderden scheurende brokken, een stofwolk achterlatend als een lawine in de Alpen.
Hetzelfde moment overkwam Lino een overstelpend gevoelen van bevrediging en trots. Want het was toch ongehoord dat je zoiets meebeleefde! Dit alléén maakte het leven waard geleefd te worden!.. Deze adembenemende catastrofe... dit volstrekt unieke, ja universele gebeuren... Ik ben getuige, dacht hij, ík ben erbij... Ik ben waarnemer, voortdurend waarnemer en geen betrokkene meer.
Dan de Eiffeltoren er maar achteraan, dacht hij, waarom niet, – slopen waren ze de vorige eeuw al van plan. Lang hoefde hij niet te wachten, want toen hij een andere straat was ingereden, zag hij in de verte het monstrum met zijn karakteristieke souvenirsilhouet al opsteken. En ja, daar kantelde het monument reeds. Eerst uiterst traag, het meest onderaan. De Eiffeltoren veranderde met onontkoombare progressie in een hoop schroot, half aan het gezicht onttrokken door de bomen van het park. Jammer dat ik er niet wat dichterbij heb kunnen komen, mompelde hij.
Andere toeschouwers waren er wel terdege, maar niet vlakbij, ze liepen aan de overzijde. Een tiental mannen die in grote agitatie leken te verkeren en niet zo gauw wisten welke kant ze op moesten rennen. Fransen, Parijzenaars. Zij schreeuwden van opwinding over het vonnis over hun stad. Alleen Lino bleef kalm toezien.
Toch moest hij voortdurend opletten niet onder het neervallend puin der sloopwerken bedolven te worden. Een gebouw aan de rechterzijde was al bezig totaal uit elkaar te vallen en een golvende muur van zand vol stuiterende straatklinkers bewoog zich snel op hem toe. Maar hij sprong weer op zijn vertrouwde Nederlandse fiets en trapte uit alle macht een plein op.
Waar hij zich de volgende uren precies bevond, wist hij vaak niet, want hij moest alle aandacht besteden aan de gevaren van inzakkende bouwwerken die hem overal bedreigden. Beroemde kerken, musea, monumenten, de Opéra, hele wijken, alles ging eraan. De wereldstad ging ten onder, onweerhoudbaar, meedogenloos. Lino voelde echter geen weerzin, ook geen angst, hij wist zich voor kwalijke gedachten onkwetsbaar. Hij dacht hoogstens: wat kan er allemaal gebeurd zijn de laatste dagen... Maar vervolgens weer niet veel vermeldenswaardigs.
Regelmatig kwam hij langs puinvelden waarin nieuwe grote reclameborden geschoord stonden opgesteld. Die konden Lino\'s belangstelling maar kort gevangen houden.
Het waren nog grotere dan welke hij bij het hotel met de breekmachines had gezien. En ook op deze waren advertentieboodschappen te lezen.
Ze zagen er allemaal hetzelfde uit.
SLOPERS GEVRAAGD stond erop. VOOR DE HELE WERELD. "On demande des démolisseurs. Pour le monde entier".
Reacties:
- Philippe - 09/09/11 09:38
Wat is in dit verhaal het Geheim van de Smid? Natuurlijk de haarscherpe beschrijving van situatie en waarneming, gecombineerd met een nachtmerrie-achtig scenario, dat de lezer dadelijk omzet in een soort innerlijk geprojecteerde film. Waarbij men zoals het hoort zich dadelijk identificeert met het hoofdpersonnage en elke schakering van diens emotioneel spectrum mede doorleeft. En deze film heeft op een of andere wijze een "actueel onderwerp", is een bericht des tijds, vertelt iets acuut over de wereld zoals enkel door een ras-schrijver kan worden verteld. En hoe grotesk is deze wereld en hoe vervreemd de hoofdpersonnages. Van bijzonder naar algemeen, van persoonlijke ervaring naar sociale boodschap, de kustenaar kan het en is daartoe gezegend met de juiste ontvankelijkheid en intuïtie. Eenvoudig gezegd: Henk schrijft beter met de dag. En dit verhaal toont vooral veel schrijfplezier...
Login
Paswoord vergeten?
18 gasten / 0 gebruikers
Jarigen
- Geen jarigen vandaag
Laatste posts
- In.. wil melker
- Onder.. wil melker
- In dwalen en.. wil melker
- Een gracieuze.. wil melker
- Haar donker.. wil melker
- Nog onbekende.. wil melker
- In zand en.. wil melker
Laatste reacties
- Hans.... wil melker
- Hoi Wil ik.. Hans van der Vlugt
- Hans.... wil melker
- Hallo wil,.. Hans van der Vlugt
- De pannekoek.. Philippe
- Operatie Henk Gruys
- Bedankt.. Philippe
- Ik hou het.. Katja Bruning
- Ik heb hier.. Fred de Koning
- Schrijfzolder Henk Gruys
- Ik plaats.. Philippe
- Ik zet de.. Fred de Koning
- Apostrof Henk Gruys
- Maar.. Fred de Koning
- Ik weet het.. Fred de Koning
- Ik kwam op.. Henk Gruys
- .. Philippe
- Wat is.. Philippe
- Er zit helaas.. Henk Gruys
- Dag Hans,.. Philippe