Warning: Invalid argument supplied for foreach() in /var/www/vhosts/schrijfzolder.be/httpdocs/core/php/inzendingen.php on line 544

Warning: Invalid argument supplied for foreach() in /var/www/vhosts/schrijfzolder.be/httpdocs/core/php/inzendingen.php on line 569

Warning: Invalid argument supplied for foreach() in /var/www/vhosts/schrijfzolder.be/httpdocs/core/php/inzendingen.php on line 30
Schrijfzolder

Een verhaal van Henk Gruys

Vorige: Slopers Gevraagd - Afl.3 van 5 Volgende: Slopers Gevraagd - Afl. 5 (slot)
Slopers Gevraagd - Afl. 4 van 5
"Kijk," zei hij even later en hij wees naar de morgenster in het zuidoosten, "het wordt dag!" 
    Het was de richting die ze vijf minuten later insloegen. Allen van de groep knielden toen de zon opkwam. Sommigen van hen rolden herhaaldelijk met stalen knikkers over de stenen zee, op zoek naar verborgen sporen. "Nog steeds ben ik zeer bij hen betrokken," mompelde Frits, zijn ijverige pupillen beziend, "hoe is dat te verklaren?"
     Ondanks alle vermoeienissen en onzekerheden sprak iedereen het als zijn vertrouwen uit dat ze zich op de goede weg bevonden. Alleen een meisje of jonge vrouw had aldoor gezwegen, zelfs sceptisch gekeken, opzettelijk leek het, wat hèm, als gids van professie, niet weinig verstoorde. "Het is moeilijk, maar we zullen ons doel bereiken," zei hij daarom nog maar eens nadrukkelijk.
    Bij een volgende, door de opkomende zon oranje geverfde, verlaten verkeersweg verzamelde hij alle  tochtgenoten om zich heen. Hij hield een korte toespraak, waarin hij zijn gasten het belang van grote omzichtigheid in Parijs voorhield. Hij zei: "Niemand kan straks de ander nog bijstaan. Voor raadgevingen en speciale wenken is het weldra te laat!" – Hij dacht: "direct gaat men zijn eigen richting; zwermt iedereen uit naar hotels en campings en zal ik niemand van deze vrienden ooit nog zien."
    In de buurt van een groot viaduct viel Frits\' gezelschap voorgoed uiteen. Tussen de allerlaatste toeristen treuzelde hij nog, toekijkend hoe men zijn weg zocht over het betonnen bouwsel. Het is eigenlijk meer een tunnel dan een viaduct, dacht hij, de grauwe kolos beziend.
    Toen begon hijzelf ook de grasdijk naast het viaduct te bestijgen, hoger, hoger en hoger...


Frits verveelt de gasten

De gids Frits liep op het gigantische dakterras van de wolkenkrabber aan de Boulevard Lipmann in de drukte rond als een verlorene. Slechts sporadisch zag hij in de menigte iemand die hem bekend voorkwam. En dan hoogstens een vage collega van de gidsorganisatie, die evenals hij gekleed was in lila smoking. En dan nòg werd het een vluchtige formele ontmoeting, niet in staat zijn innerlijke onvrede geheel te verdoezelen.
    Een wit jacht lag in het midden van het dak ingegraven, sinds jaar en dag bezit van de dikke president-directeur die, vanwege zijn leeftijd het zeegat niet meer uit mocht trekken. Dat schip nam een kwart van de hele daktuin in beslag. Maar zelfs aan boord van die luxueuze cruiser, zelfs met de illusie van in volle zee te zijn, kon Frits zijn voldoening voor vanavond niet bereiken.
    Hij had zich talloze malen afgevraagd of hij de verveling en onmacht niet zou kunnen kwijtraken door een willekeurig iemand ergens mee te helpen; het gaf niet waarmee. Hij keek hoopvol rond naar de onbekenden die aan tafeltjes glazen drank inschonken of zich roze taartjes van ronde plateauschalen toeëigenden.
    Maar al diegenen die hij na enig aarzelen benaderde, zeiden dat zij geen hulp van node hadden. Dat ze hem bedankten, maar met de beste wil niets konden verzinnen waarmee zij een beroep op zijn vriendelijke aanbod zouden kunnen rechtvaardigen. Uiteindelijk kwam de gastheer naar Frits toe en verzocht hem beleefd doch dringend de genodigden niet langer met zijn vervelende praatjes lastig te vallen.
    Vanaf dit moment bepaalde hij zijn aandacht maar tot de bladen met alcohol, waarmee de bedienden, die ademloos rondholden langs de boorden van het schip, op de handen balanceerden.
     De atmosfeer op dakhoogte boven de Boulevard Lippmann was mistig en benauwd. Over de metropool, waarvan men, als men zich over de balustrade boog, vooral de vele kerktorens met overmaatse wijzerplaten kon zien, lag een dikke deken van hitte.


Heet zoiets nu "conclusie"?

"Ik stel mij dus die zaal voor," zei Frits tegen de jonge vrouw – dezelfde die hij op de nachtelijke aanvangstocht door de stad had begeleid, die steeds in zijn gezelschap te vinden was, en eerst niet met hem had willen spreken.
    "Juist op een avond als deze." Hij kneep zijn ogen half dicht. "Want moet je luisteren, in het midden is een bassin opgesteld gevuld met water, een soort zwembad, maar dan kleiner, waar iedereen omheen loopt en onverschillig, ja bijna verveeld een blik in werpt. Het is daar eigenlijk een nogal vreemde zaal voor festiviteiten. Mogelijk dat later op de avond iets in dit bassin moet plaatsvinden, dat weet men niet, maar op het moment bevat het alleen maar nat en kil water waarin de veelkleurige lampen van het plafond golvend weerspiegelen. Kun je je dat voorstellen? –
    En als ik me dan op afstand van dat ongezellige gekabbel heb teruggetrokken, met bier en nog een en ander en eindelijk zit, dan word ik na een paar minuten onvermijdelijk en altijd benaderd door die ene treurige jongeman. Hij is mager en ziet er slecht uit, hij schijnt chasseur van beroep te zijn.
    "Luister," zegt hij – en hij heeft weer het een en ander opgeschreven. Hij wil het voorlezen, koste wat \'t kost, er is geen weerhouden aan.
    Nu wil ik iedereen graag ter wille zijn; ik heb bijna mijn hele leven nooit anders gedaan dan mensen vooruit helpen waar het kon. Maar ik moet zeggen, dit begint soms zelfs mij wel eens te veel te worden. Maar daar geeft die jongen niet om; hij leest voor wat hij heeft geboekstaafd. Niet met zeer luide stem, maar wel duidelijk, intonerend op zo\'n wijze of hij een, overigens niet al te groot, geheim onthult. Hij leest voor. Meestal gaat dat ongeveer als volgt:"
    "Het meisje met de kleine oren zat in de tuin. Zij zat op één
    der stenen tafels. Het was prachtig weer. Muggen groot als
    koperen centen vlogen in de zonneschijn op en neer. Tussen
    de varens en slingerplanten zat Andzrej. Andzrej kluifde op
    een grassprietje en keek langs de rand van het bos. Achter het
    hek renden zijn twee honden heen en weer, achtervolgd door
    stenen van de rentmeester. Grappig zoals die eenden daar
    snaterden. Maar echt supérieur was het dat er een kleine hond 
    aankwam om ze weer in het water te jagen! O nee, het was
    geen hond, maar een opgerolde krant, door de wind voort-
    geblazen. Gek dat die eenden voor een krant bang waren!
    Nu ja beesten hadden geen hersens dat was hiermee weer
    eens bewezen."

Zo leest hij, dit soort fragmenten. En ik kan het wel meevoelen, of liever: het wel bevatten; of beter: ik kan me wel enigszins inleven hoe ik mij in zijn plaats zou voelen. Maar toch: ik snap niet waarom hij dit alles op dat uur zo nodig aan míj moet mededelen!" Frits sloot even de ogen.
    "Misschien kan hij niet goed tegen de stilte en eenzaamheid van de nacht," zei de jonge vrouw dromerig, en ze schepte zich nog een gebakje op haar schoteltje.
    "...Op een of andere wijze doet hij mij soms denken aan mijn broer Lino," zei Frits peinzend. Die ik hoeveel jaar al niet heb gezien...
    Maar zo zacht had zijn stem geklonken dat het leek of hij dat meer tegen zichzelf had gezegd dan tegen haar.


                                                                 VIER


Ontmoeting in een suikergeur

Toen Lino op een middag op de Marché aux Puches liep, voelde hij zich zieker dan ooit.
    Hij bevond zich juist op het gedeelte waar de stalletjes ophielden en een hele rij stokoude winkeltjes zijn deuren had geopend. Ondanks zijn ongemak viel hem op dat de gevels van de winkels slechts bestonden uit beschilderd jute op latten en niet meer dan een gammel kermisdecor voorstelden. Men had zich hier zonder mankeren gespecialiseerd in warme suikerwaren. De stinkende damp maakte hem nog misselijker. Er botsten ook telkens mensen tegen hem op. – Hoe lang moet ik mij hier nog voortslepen, dacht hij duizelig. Ik moet terug naar het hotel. – Hij was eigenlijk maar blij alleen te zijn, zonder lastige vrienden of toevallige bekenden, tegenover wie hij zich zou moeten verantwoorden voor deze verontrustende verschijnselen.
    !!!MAAR DAN!!!  P l o t s e l i n g !!!  W i e   k w a m   e r   g l i ml a c h e n d   o p   h e m  t o e  a l s   i n   e e n   d r o o m   z o  o n w e r e l d s ?
    Zijn  e v e n b e e l d!  Zijn s p i e g e l b e e l d! – D i t  was de totale schepping ontwricht!!
    .....Nee, erger, hij was het grootste slachtoffer aller tijden! – En zoals gewoonlijk had hij geen verweer. Hij de eeuwig onderworpene, de vertrapte met reden, (o, de onvergankelijke grootheid van die waan!) En juist nu, dit droomgebeuren... Was het bevatten daarvan nog te dragen?
    Het was inderdaad zijn tweelingbroer Frits die stralend op hem toe kwam. Hij leek beangstigend op Lino\'s wedergeboorte. Maar dan in contrast: veerkrachtige stap, zilvergrijs zomerkostuum, grijze stippeltjesdas, hagelwit overhemd en dure schoenen.
    De eerste seconden was het Lino of de tijd een sprong had gemaakt naar negen jaar terug, toen zijn broer het ouderlijk huis had verlaten. Maar ook herinnerde het aan het Utopiapark, waar Cara zo onverwacht was weggelopen. Al beeldde die gebeurtenis zich ook in negatieve volgorde af.
    "Ik heb lang nagedacht" zei Frits, Lino direct zacht de hand opleggend. "Maar ik geloof dat ik de juiste beslissing heb genomen."
    Lino, nog ontdaan door Frits\' onverwachte wederkomst, voelde, nu dat langverbeide eindelijk was geschied, niets van triomf. Niets van een finale opluchting, – hoezeer hij ook naar dit ogenblik had uitgezien (en de emotie ervan zelfs panisch gevreesd in zwakke momenten). Was het dìt dat zijn leven de laatste tijd beheerst had tot in details? Was het dìt waardoor hij helemaal in een ander land was terechtgekomen en dientengevolge steeds zieker geworden? – Dat hijzèlf Frits niet had gevonden, maar zijn broer hem, verklaarde dat misschien zijn verwarring?..
    Tot dusver had hij geen woord tegen zijn broer gesproken, hem altoos aangestaard in verbazing en ongeloof. Een merkwaardig tegemoet  treden zijnerzijds, hetgeen Frits overigens in het geheel niet vreemd leek te vinden. Hij stelde voor hun ontmoeting in een wat comfortabeler omgeving voort te zetten.
    Niet dan met de grootste inspanning kon Lino zijn broer bijhouden toen ze op weg gingen naar het dichtstbijzijnde metrostation.
    "Gaat het wel goed met je, broeder?" keuvelde Frits onder het lopen, "Je ziet er niet gezond uit man! – Weet je, die pater Alosyanus – zo heet hij natuurlijk niet echt, maar goed, die pater dus gelooft niet in het toeval zegt hij. En dus moet het de wil van de Heer zijn dat ik jou op het spoor ben gekomen, hahaaha!" Frits leek in een opperbeste stemming nu hij zijn broer had gevonden. Hij vervolgde:
    "Maar de Here is er niet aan te pas gekomen, hoor! De waarheid is eenvoudig: toen ik weer eens gasten afleverde op de camping van die ouwe gek, viel Alosyanus meteen de frappante gelijkenis op tussen jou en mij en raakten we in gesprek. Toen bleek dat hij jou zowaar kènde!"
    "Maar weet je," vervolgde hij met stemverheffing toen ze in de ondergrondse trein stonden die zich met een oplopend geloei van het perron verwijderde, "ik heb even serieus getwijfeld of ik jelui dit in Holland wel allemaal zou mededelen. Ik dacht dat het misschien beter was als ik maar stilletjes op de achtergrond zou blijven en jullie in zalige onwetendheid laten... Ik ben onlangs namelijk ongeneeslijk ziek verklaard, moet je weten."
    Lino staarde tijdens deze plotselinge noodlottige woorden naar de steeds sneller voorbijschietende lichten buiten in de tunnelwand, waarin om de vijf meter een gepantserd verlicht stierenoog was aangebracht, als een veelvuldige bevestiging van deze onheilstijding.
    Maar zijn broer vervolgde luchtig:
    "Ik heb namelijk nog maar vier maanden te leven." Het leek of hij hier sprak over een tijdelijk ongemak, dat in de middeleeuwen misschien nog fataal zou zijn geweest, maar met de huidige stand van de medische techniek in een handomdraai kon worden opgelost. Lino kon van de schrik nog steeds geen woord uitbrengen.
    Ze verlieten de trein onder een luid kloksignaal, liepen langs een wand van geglazuurde tegels en lieten zich daarna met glad gepoetste roltrappen naar het niveau van de straat terugvoeren.
    Alwaar een oorverdovend getoeter van taxi\'s en camions Lino zijn gezicht geheel in de handen deed verbergen.
(Wordt vervolgd met nog één aflevering).
Log in om uw stem te geven aan deze inzending.

Reacties:

  • Er zijn nog geen reacties