Een verhaal van Roman Forbeville
Vorige: Kerstmis
Volgende: Vlakke intimiteiten
Kluisbergen – Ruien, oktober 1998
Rijkswachtkazerne.
De discussie in de kantine loopt hoog op. Besprekingen op politiek vlak en daar rond hangende geruchten over een nog nooit geziene politiehervorming, zorgen dat de gemoederen onder mijn manschappen licht ontvlambaar zijn. Vandaag komt een ministerieel afgevaardigde van Justitie meer uitleg verschaffen over de gemaakte vorderingen. Dat het niet van een leien dakje loopt ‘was’ (stond) blijkbaar in de sterren geschreven. De politiek heeft het zwaar te verduren, maar wij ook. Mij kan het weinig schelen. Over een week ga ik met pensioen. Daarom heb ik de telefoonpermanentie op mij genomen. Door middel van een draadloos toestel kan ik de vergadering bijwonen, als morele steun voor het korps. In afwachting van onze bezoeker heb ik bij de deur postgevat.
Bij het aanschouwen (??) van de manschappen kom ik tot het besef dat deze bende en de job eigenlijk het enige zijn wat ik heb (beter: Als ik mijn mannen eens goed bekijk, kom ik..) . Samen bevolken we sinds jaren de kazerne en hebben we diverse dossiers tot een einde gebracht. Toen het conflict rond die ontvoerde kinderen in de Ardennen uitbrak, werden we zelfs, na een externe audit, geprezen voor onze samenwerking. Het was een echte opsteker voor ons, maar ook voor de lokale bevolking. Niemand begrijpt hoe hij, die pedofiel, daar al die tijd ongestoord zijn gang heeft kunnen gaan. Hoe de diensten daar zo naast elkaar ‘zijn’ (hebben) kunnen lopen. Eerdere huiszoekingen hadden niks aan het licht gebracht. De dienstdoende agenten hadden wel kindergehuil gehoord, maar ze hadden het niet verdacht gevonden, dit ondanks het feit dat de man al was veroordeeld voor diverse praktijken. Bij ons is dit gelukkig niet denkbaar. Door het gebeuren met die pedofiel is iedereen plots wakker geschoten, en moet alles plots anders. Politieke kopstukken die jaren het land leidden, maakten plaats voor een nieuwe generatie. Alles moet nu vastgelegd worden in regeltjes. De samensmelting van diensten is daar ook een gevolg van. Kortom nooit geziene herstructureringen. Onze bevolking kwam zelfs op straat. Met zo’n 800.000 mensen waren ze naar onze hoofdstad afgezakt. De revolutiesfeer hing in de lucht. Gelukkig bleef het bij die storm in een glas water. Maar eerder dit jaar stond het land opnieuw op zijn kop toen diezelfde pedofiel erin slaagde om zijn twee begeleidende rijkswachters een wapen te ontfutselen, schijnbaar ongezien én gewapend uit het justitiepaleis te wandelen, over straat te lopen, honderd meter verder een bestuurster vanuit haar wagen te sleuren en er vandoor te gaan met de buitgemaakte wagen. De koppen van twee ministers rolden, die van Binnenlandse Zaken en die van Justitie. De vervangende minister van Binnenlandse Zaken was een oudgediende die in de vorige regering al deze taak op zich had genomen. Maar heel doelbewust kwam er een volledig nieuw gezicht op de ministerstoel van Justitie. Tegen de avond werd de pedofiel ingerekend in de bossen door een boswachter nota bene. De politiek wringt zich in alle bochten om het publiek weer op de hand te krijgen, want de volgende lente zijn er verkiezingen. Het politieke klimaat ging door barre tijden. De media stortte zich met heel haar gewicht op dit alles, ons land haalde wereldwijd het nieuws. De bevolking eiste een eind aan doofpotoperaties, vooral toen uitlekte dat die pervert opnames van kinderen maakte en doorverkocht aan prijzen die niet meer voor een gewone werkman waren weggelegd. Er zou een grondig onderzoek gebeuren, alleen maakte het gerecht alweer een slechte indruk op de bevolking door het ingewikkelde dossier op te splitsen en er nodeloos tijd en belastingsgeld door te jagen.
De sfeer in ons korps was altijd goed geweest. De samenwerking tussen de gerechtelijke en de rijkswacht verliep altijd heel vlot. De (onderlinge) verstandhouding(en) (onderling) (was) (waren) warm te noemen. Een band als van een hechte familie. Samen hebben we huwelijken en geboortes gevierd, onze geliefden en naasten begraven. En nu zitten we in de kantine, verdeeld in twee kampen. Het lijkt of we elkanders bloed kunnen drinken. In de afgelopen maanden is de sfeer erg vertroebeld door de gebeurtenissen op politiek vlak. Het werk lijdt er niet echt onder, maar de familiale band van vroeger is verdwenen. Dat vind ik spijtig, vooral omdat ik er niet meer zal zijn om de gemoederen weer aaneen te smeden na de hervorming. Iedereen is hier peter of meter van één of ander kind bij de ander, ongeacht of het een rijkswachter of een van ons is. Nog nooit hebben we onderling enig onderscheid gemaakt tussen de verschillende korpsen. Ik kan mijn (eigen zintuigen) (ogen en oren) niet geloven wanneer ik ze nu tegen elkaar bezig hoor. Natuurlijk hebben de mannen van de vakbonden hier een hand in het tumult. Ik kan enkel maar besluiten dat de politiek er ook hier in geslaagd is binnen te dringen.
Een glimmende, donkerblauwe BMW Z3 rijdt de binnenkoer op. Jan kijkt door het raam, en Louis (ineens komt hier uit het niets een Jan en een Louis aandraven; ik zou er de familienamen bij plaatsen) vraagt wie daar is. ‘James Bond,’ luidt het antwoord. Gelach. Instinctmatig begeef ik me naar de binnenkoer, om onze bezoeker te verwelkomen.
Wanneer ik op de binnenkoer aankom zie ik een mooie vrouw naast de BMW staan, worstelend met een lijvig dossier onder de arm. Ze lijkt enorm op Meg Ryan.
‘Goeie (‘Goeie’, zal bij een automatische spellingscontrole in Word steeds als fout aangegeven worden – meer spreektaal, ik denk dat ‘goede’ meer correct zal zijn) morgen mevrouw, Willy Nys, hoofdinspecteur van de gerechtelijke politie Kluisbergen, waarmee kan ik u van dienst zijn?’ Het tumult vanuit de kantine is hoorbaar tot aan haar wagen. Er glijdt een spoor van vertwijfeling over haar gezicht wanneer ze een blik op de kantine werpt.
‘Goeie morgen meneer, Francine Deschuymer, afgezant van het Ministerie van Justitie. Blijkbaar een feestje aan de gang daar.’ Hoofdwijzend naar de kantine.
‘Daar gaat de vergadering door. Alle manschappen zijn aanwezig, behalve mijn collega van de rijkswacht, Emile Voghelaere (is dit een schijtpater uit jouw klooster? J) die zich laat verontschuldigen, een longontsteking heeft hem aan het bed gekluisterd.’
‘Oké daar neem ik notie van. Is de sfeer hier altijd zo gespannen?’ vraagt ze met vertwijfelde toon, terwijl we de kantine naderen. ‘Nochtans wordt in het dossier melding gemaakt dat deze kazerne een schoolvoorbeeld van samenwerking is tussen verschillende diensten.’
‘Het zijn de op til staande hervormingen die overheersen, maar de samenwerking verloopt nog vlot. Alhoewel de sfeer niet meer is wat ze ooit was. Ik hoop van harte dat de familiale sfeer van vroeger terugkomt na de hervormingen, maar ik vrees ervoor. Ik hoop dan ook dat je stimulerend nieuws brengt.’
‘Het tumult ben ik al gewoon, overal lokt de hervorming spanning en wrevel op (uit). Alle korpsen leiden eronder. Maar het zou toch jammer zijn dat (beter: mocht) een korps zoals dat aangeschreven staat, uiteen zou vallen.’
Bij het binnenkomen verstomt het tumult. De opvallende schoonheid naast mij maakt indruk. Op de papieren stond ze aangekondigd als F. Deschuymer, en iedereen dacht (beter: verwachtte) een saaie mannelijke ambtenaar over de vloer te krijgen. Vele ogen volgen haar geboeid terwijl ze zich met vaste tred een weg baant tussen de tafels om vooraan haar plaats in te nemen tussen de vakbondsafgevaardigden. Glimlachend groet ze iedereen. De stilte is hoorbaar.
‘Goedemorgen heren… en dames,’ dit laatste knikkend naar Caroline en Valerie. ‘Ik ben Francine Deschuymer, en de bedoeling van mijn komst is jullie inlichten (beter: jullie in te lichten) over de voorziene hervormingen. Uit mijn ervaringen met voorgaande gesprekken, kan ik enkel opmaken dat de vakbonden hun grootste zorg is hoe de nieuwe uniformen er moeten uitzien. Net als kleine kinderen maken ze onderling ruzie om welke signalisaties er op de dienstwagens moeten komen. Het zal me een zorg wezen. Dus, beste confraters van de vakbond hier aanwezig, knoop het goed in jullie oren. Ga eerst na of uw al dan niet op tijd gestelde vraag enig nut heeft in het opbouwende gesprek. Een gesprek dat ik rustig wil voeren. Dus gebruik uw vernuft die u aan de dag legt in uw job, om dit verplichte nummer hier op een vlotte manier af te werken. Ik ben enkel naar hier gekomen om jullie in te lichten, en niet om met elkaar verbaal in de kling (kling = sabel, belgeluid of gerinkel van glazen – beter: clinch) te gaan.’
Iedereen kijkt haar stilzwijgend aan, bij sommigen merk ik een opengevallen (van elkaar) mond. De vakbondsafgevaardigden zitten hun papieren te schikken. Volgens mij was ze niet alleen maar aangenomen omwille van de juiste partijkaart. Ik dwaal in gedachten af naar een beeld hoe deze pittige vrouw zou zijn in het privé-leven. Bij het naderen van mijn pensioen betrap ik mezelf wel vaker op die afwijkende gedachten over vrouwen die mijn oog passeren. Ik vrees dat het vrijgezellenleven, al ruim tien jaar, begint te vervelen.
De vergadering kabbelt rustig verder, alles onder haar controle (vreemde zinsconstructie. Beter: ‘Deschuymer behoudt de leiding in de rustig verder lopende vergadering). De vakbondsafgevaardigden zouden hun reputatie te kort schieten indien ze niet af en toe proberen een opruiende opmerking tussendoor te gooien, maar Francine weet toch de rust in de vergadering te houden door haar zeer diplomatisch maar kordaat optreden. Plots gaat het draadloos toestel aan mijn riem rinkelen. Uit gewoonte grijp ik eerst naar mijn gsm. Terwijl ik de oproep beantwoord loop ik naar buiten, zodat in de kantine ongestoord kan worden doorgegaan, een hevige regenbui overvalt me.
‘Hallo, rijkswachtkazerne Ruien, met Willy Nys.’
Gehijg aan de andere kant van de lijn.
‘Hallo? Met de rijkswacht? Kind dood, bos, keel overgesneden! Godverdomme!!!’ Een stem vol emotie en paniek.
‘Meneer, rustig. Waar bent u en waar ligt het kind?’
‘Het kind ligt hier naast me, een meisje, heb iemand zien vluchten.’
‘Goed meneer, en op welke locatie staat u juist? We komen onmiddellijk.’
‘Boswachterhuis, Meetje en Peetje.’
‘Boswachterhuis, Meetje en Peetje, heb ik dat goed begrepen?’
“Inderdaad, Meetje en Peetje, Boswachterhuis, vlakbij het zwembad.’
‘Oké we komen er aan, blijf terplekke en kom vooral nergens aan meneer.’
‘Ik wacht op jullie. Maar zet er spoed achter! Godverdomme! Wat een gruwelijk tafereel.’
Ik storm de kantine binnen en met mijn volle geweld bots ik tegen het deurkozijn. Iedereen kijkt me dan ook verbaasd aan.
‘Moord in het bos! Een meisje is vermoord, er staat iemand bij haar die de dader heeft zien vluchten. Iedereen, maar dan ook iedereen er op af! Iedereen weet wat van hem verlangd wordt.’
‘Ja maar, en de vergadering dan?’ vraagt Francine.
‘Begrijpt u het niet? Die kan me geen zak meer bommen!!! Elke weg moet op ons grondgebied worden afgezet (beter: elke weg van ons grondgebied moet worden afgezet)! Verwittig ook de lokale politie dat ze meedoen aan de wegblokkering, er gaat geen enkele, maar dan ook geen enkele wagen meer het grondgebied van Ruien verlaten. Hopelijk is hij niet zo snugger om via Mont de l’ Enclus weg te vluchten. Jan, ga jij de gendarmerie daar verwittigen. Waar hij ook is, we pakken de dader op. Iedereen verstaan? ! Iedereen weet elk afzonderlijk wat hem te doen staat (heb je al eens gezegd..). We hebben dit genoeg ingeoefend. Bernard en Eddy gaan met mij mee naar Meetje en Peetje, daar is de plaats van de misdaad! Caroline en Valerie blijven hier om de permanentie te doen (‘doen’ is nogal algemeen, beter is ‘verzekeren’). Ik zal zo snel mogelijk zorgen dat jullie een signalement van de vluchtauto krijgen. Iemand nog vragen? Neen? Komaan iedereen, de vergadering is afgelopen!’
Zonder verder om te kijken naar Francine verlaat iedereen de kantine, de dienstwagens stuiven de binnenkoer af. Voor wij vertrekken verwittig ik nog de nabij gelegen huisarts zodat hij kan optreden om de eerste vaststellingen te doen. Bij een situatie als wegblokkering weet iedereen waar ze zich heen moeten reppen, zonder verdere uitleg. Dat is nog eens een staaltje van samenwerking tussen de verschillende diensten. Als wij ons met zijn drieën zich begeven (miljaar… ‘als wij ons met zijn drieën zich begeven… Voel je daar niets wringen, Bart?) naar Meetje en Peetje, krijg ik per gsm de mededeling van de lokale politie, dat de veldwachter al aanwezig is. Hij zat in de cafétaria van het nabij gelegen zwembad toen de oproep de ether in ging. Ze wisten ons ook nog te melden dat de vermoedelijke dader was gevlucht met een grijze Jeep Cherokee, dit had de aanwezige veldwachter al vernomen van de man ter plaatse. Meteen laat ik Caroline een signalement uitsturen met dat feit, zodat alle eenheden op de hoogte zijn.
‘Godverdomme Eddy, het is maar te hopen dat die veldwachter maar niet te veel sporen bezoedelt op de plaats van de misdaad.’
‘Wanneer het Lukie Wolf is mogen we alles verwachten, die slaagt erin om zijn eigen jongen (‘zijn eigen jongeheer’, zal de bedoeling geweest zijn?) niet meer terug te vinden.’
Luk Wolf was al jaren niet meer in contact gekomen met zijn eigen kinderen, ondanks het feit dat ze ook op de Kluis wonen. Niemand sprak erover, maar iedereen wist het en dacht er het zijne van. In zijn jonge jaren had hij een stormachtige relatie gehad met Evelyn, dochter van de burgemeester. Dekhengst als hij was, bleek ze al vlug zwanger te zijn. Er volgde een huwelijk, en in korte tijd nog twee kinderen. Iedereen was benieuwd hoelang het huwelijk zou duren. De reputatie van Wolf kennende als vrouwenzot. Tijdens zijn huwelijk is hij nooit gestopt met vreemd gaan, toen zijn jongste spruit amper een jaar was verliet hij zijn gezin om met een prostitué te gaan samenwonen. Ze kochten een villa op de berg, wat zeker niet te betalen was met zijn loon (beter: wat zijn karig loontje zeker niet toeliet). De dure wagens wisselden regelmatig op de oprit, terwijl hij zijn vrouw en kinderen liet verkommeren (beter: verwaarloosde). Wanneer iemand het lef had (om) hem er over aan te spreken, antwoordde hij steevast geen kinderen te hebben, dat die vroegere slet van hem liever vreemdging dan voor hem en de kinderen te zorgen. Dat was ook de reden zei hij dat hij nu met een prostitué was gaan samen hokken. Hij wist met zekerheid dat ze vreemd ging, maar het bracht mooi geld op. Een wettelijke scheiding is nooit aan de orde geweest.
Verder wordt er tijdens de korte rit niet meer gepraat, terwijl ik in gedachten zit verzonken. Het ontgaat me zelfs dat Bernard een broodje achter de kiezen wegwerkt.
Bij aankomst blijkt tot onze ontgoocheling dat Lukie Wolf terplaatste (ter plaatse) aan het trappelen is. Zijn beroep schande berokkenend, zoals de meeste trouwens in ons apenland, staat hij daar als een weerloos schepsel te kijken naar het slachtoffer. Wanneer hij ons ziet aankomen stapt hij dan ook opgelucht op ons af. De forensische technicus, Yves, is al bezig met zoeken naar vingerafdrukken en sporen van DNA. Terwijl zijn assistent druk bezig is met foto’s te maken. We moeten zo’n vijftig meter omhoog klimmen op een steil wandelpad om bij het slachtoffer te komen, en Bernard blijkt, ondanks zijn honderdvijftig kilogram (klein beetje overdreven?), een betere conditie te bezitten, verfoeiend gooi ik dan ook mijn sigaret weg. Eddy is als fervent sportfanaat als eerste op post. Met zijn drieën proberen we vruchteloos Wolf te mijden, maar hij blijft aanklampen als een klein kind dat blij is ergens bij te horen. Bij het naderen is het me opgevallen dat er met het afstromend regenwater een stroompje bloed naar beneden liep. Striemen, blauwe plekken, builen, duidelijk gebroken polsen, overgesneden keel, uitpuilende ogen en bloedverlies vanuit (uit) de schaamstreek. Het bloed is overal zichtbaar. Braakneigingen steken de kop op, maar we kunnen ons toch bedwingen.
‘Wat zijn de eerste vaststellingen?’ vraagt Eddy aan de technicus, terwijl er foto’s worden getrokken.
‘Geweldpleging en verzet, gebroken polsen, (een) open (gereten) keel die waarschijnlijk de doodsoorzaak is, alhoewel die later kan zijn toegebracht, verkrachting, en overal builen en blauwe plekken. Mishandeling en foltering zijn niet uitgesloten.’
‘Wat is het tijdstip van overlijden?’ vraag ik.
‘Daar kan ik je geen antwoord op geven, je zal moeten wachten tot de dokter langs komt. Waar blijft hij trouwens? Die zuiplap heeft amper klanten. Behalve zichzelf en zijn fles cognac misschien.’
‘Ach komaan Yves, ik weet dat je al jaren avondschool volgt in de verpleegkunde, en met succes trouwens (zou een verpleger deze vaststellingen kunnen doen??). En je weet ook dat die zuiplap je dezelfde vraag zal stellen om het daarna enkel officieel te bevestigen.’
‘Je hebt gelijk. Ik vermoed tussen halfnegen en halfelf deze morgen. Alhoewel verder onderzoek op het lijk nog meer uitsluitsel moet geven. Het is nu elf uur, dus als je nu nog de dader oppakt aan de wegblokkeringen moet hij echt wel een slome figuur zijn.’
‘Bemoei jij je maar met je werk, dan doen wij het onze wel,’ antwoord ik nogal laconiek. ‘Waar is de beller?’
‘Die zit al in onze wagen, baas,’ zegt Bernard, Wolf kijkt hem raar aan.
‘Dank u, Bernard. Heeft hij al iets gezegd?’
‘Neen, nog niks baas, enkel dat hij degene is die het kind heeft gevonden.’
‘Van wie is die gsm hier?’ vraag ik ongelovig.
‘Sorry, van mij,’ zegt Wolf, terwijl hij meteen het toestel wil oprapen
Ik kan het niet nalaten om een trap op dat onding te verkopen zodat het in de lucht wordt geslingerd en een paar meter verder tegen een boom uiteenspat. Op een haar na heb ik Wolf zijn neus gemist, en diep vanbinnen achtte ik het spijtig hem niet gestompt te hebben op zijn lompe kop. Hij kijkt me dan ook enigszins beduusd aan, terwijl ik naar de wagen loop en Wolf voor de hele omgeving duidelijk vervloek, terug een vijftig meter naar beneden.
Wanneer ik het achterportier opendoe, schrikt de jongeman.
‘Goeie morgen, Willy Nys, gerechtelijke politie. Ik heb de leiding over dit onderzoek. Dus jij hebt het meisje gevonden? Mag ik je naam?’ vraag ik met reeds mijn notitieboekje in de hand(vreemde constructie).
‘Dag meneer, ik ben Koen Cousaert, ja ik heb de ontdekking gedaan.’
‘Zo Koen, kan je me wat meer inlichtingen verschaffen over de vluchteling?’
‘Tja, wat kan ik zeggen, het ging zo snel allemaal. Ik weet zeker dat hij wegreed in een grijze Cherokee, die stond daar aan het restaurant, een groene trui. (heeft die Cherokee een groene trui?)’
‘Kan je wat zeggen over de haarkleur, gestalte, of andere eigenschappen?’
‘Niet direct, nee.’
‘Heb je nog iemand anders zien wegvluchten?’
‘Neen. Moet ik hier nog lang blijven?’
‘Neen (die ‘neen’ staat er teveel, want nadien blijkt dat de man toch nog een tijdje zoet zal zijn bij die politiemensen..), straks nemen we je mee naar het bureau om een verklaring af te leggen, een paar routinevragen te stellen, en misschien voor een identificatie van de dader als we hem hebben gevonden. Enig idee hoe laat je de ontdekking deed?’
Eddy liet plotseling een vloek horen. We kijken dan ook allebei verwonderd naar boven. Ik roep hem enigszins beduusd toe:
‘Wat scheelt er man?’
‘Ik ken dat meisje, het is Emily Desmet. Die woont vlakbij mij. Haar ouders zijn die van het kalkoenbedrijf.’
Ik rep me naar boven, mijn slechte conditie nogmaals verfoeiend.
‘Bedoel je de familie waar we vorig jaar een onderzoek rond hebben gevoerd. Dat van die drugs en mensensmokkel? Zeg dat je het niet meent.’
‘Jawel, die familie. Verdomme, dat ze nog dit moeten meemaken. Vorig jaar zijn we mooi in Tony zijn verdachtmakingen gelopen. We hebben dat gezin het leven zuur gemaakt, en zonder resultaat (wel resultaat, het gezin is een jaar de duvel aangedaan. Beter: en dit ten onrechte). Ze bleken na onderzoek zo eerlijk als wat.’
‘Dju toch, en nu hebben we dit. Ben je zeker dat het hun kind is?’
‘Ja, ik ben het zeker. Vorig weekend is ze nog langs geweest om met mijn dochter te spelen. Wie brengt de ouders op de hoogte? Jij of ik?’
‘Doe jij het maar Eddy, je kent ze tenslotte.’
‘Ze zijn niet meer happig op bezoek na het incident van vorig jaar. Ze zijn heel teruggetrokken gaan leven. En bovendien hebben ze zich aangesloten bij een geloof waar ik de kriebels van krijg. Kunnen we niet samen gaan?’ werpt hij tegen.
‘Waarom? Heb je schrik?’ vraag ik hem wat plagend.
‘Ja Willy, en ik weet niet hoe ik het moet zeggen. Jij hebt daar meer ervaring in. En weet ook dat ze heel agressief zijn geworden. We zouden de eersten niet zijn die ze van hun erf jagen.’
‘Niet overdrijven hé. Je mag niet alle geruchten geloven die de ronde doen. Ben je het nog niet geleerd na vorig jaar (rare vraag. Beter: ‘ben je nog niet geleerd na vorig jaar?)’
‘Ga je nu mee naar de ouders… of moet ik alleen?’ vraagt hij vertwijfeld.
‘Ik moet straks naar Ieper voor een briefing in die autozwendel die maar blijft aanslepen. Ben je het al vergeten?’
‘Ja, dat is ook waar. Wie heeft de leiding bij uw afwezigheid? Je moet zien dat er toch iemand de leiding heeft, want die procureur in Ieper maakt het graag lang en uitgerekt. Maar wie ben ik om je daarop te wijzen.’
‘Wel Eddy, wat een bescheidenheid. Natuurlijk krijgt mijn opvolger de leiding. Je weet toch wie dat is?’ vraag ik cynisch.
‘Ja, ik begrijp het al. Spek aan mijn been. Maar jij gaat de ouders inlichten, oké? Wanneer moet je naar Ieper?’ vraagt Eddy.
‘Bernard en ik gaan direct vertrekken. Voor ik het vergeet, laat Yves ook afdrukken nemen van de bandensporen rondom het restaurant, volgens de getuige stond de vluchtauto daar.’
‘Oké, heb het begrepen, jullie zijn dus vanavond pas terug.’
‘Yep, dus zorg dat alles in goede banen loopt. Bernard! We gaan naar Ieper!’
Eigenlijk was het best wel grappig om Bernard de steile helling naar beneden te zien waggelen. Net een kolos die op eieren naar beneden loopt. Koen, die nog in de wagen zit, kijkt glimlachend toe.
‘Kom Bernard, eerst Koen naar het bureau voeren om een verklaring te laten afnemen door Caroline, en dan kunnen wij door naar Ieper.’
‘Ja baas.’
Ik zie Koen in mijn ooghoeken met een schuin hoofd naar Bernard kijken. Dan gaat hij weer glimlachend achterover leunen.
Bernard start de motor en zegt geen woord meer. We zetten Koen af bij Caroline, die hem verwelkomt met een kop vers gezette koffie. Wij moeten onze koffie zelf pakken (beter: inschenken), terwijl we nog net het middagnieuws meepikken op de radio, tot onze opluchting nog niks over de moord. Want het is niet omdat er nog geen journalisten ter plaatse van de misdaad zijn, dat het nog niet geweten is door de media. Eerlijk gezegd, het zou me niks verwonderen mocht Wolf nog zijn gsm hebben, hij nu aan het bellen was met ‘de een’ (gewoon: één) of andere journalist.
*
Bernard en ik spoeden ons naar Ieper om de nieuwste feiten te aanhoren in een zaak van autozwendel, die ook zijn prioriteit had. Een nevenonderzoek trouwens van de affaire met de ontvoerde kinderen in de Ardennen. In de overtuiging dat Eddy het onderzoek naar de moord in goede banen zou leiden, begeven wij (dat ‘begeven wij’.. komt vaak voor in je zinnen, is nogal ouderwets) ons naar de lachwekkende procureur in de Kattenstad. Bernards gezicht staat gespannen. Je zou voor minder. De procureur ‘zou niet misplaatst zijn’ (beter: heeft een carrière gemist) in de politiek. Wat hij kan zeggen in drie woorden, doet hij met grote gewichtigheid uiteen in een paar lange zinnen. Zinnen die voor een normale sterveling amper te begrijpen zijn. Het enige mooie vooruitzicht dat we hebben aan dit wekelijks uitstapje naar Ieper is bij onze terugkeer te stoppen in Menen. Bij de frituur met de beste vol-au-vent in het land. Met dit in het vooruitzicht kunnen we de moed en de kracht opbrengen om de procureur zijn palaver te aanhoren. Ondanks zijn gespannen gelaat zit Bernard alweer een belegd broodje te verorberen. De sauzen vullen zijn mondhoeken. Vaak heb ik me afgevraagd of zijn vrouw ook nog wel iets anders doet, dan de godganse dag broodjes prepareren. Het is een voltijdse karwei op zich om Bernard zijn dagrantsoen klaar te maken. Zijn figuur loog (je spreekt in de tegenwoordige tijd, en ineens spring je naar de verleden tijd: beter: zijn figuur liegt) er dan ook niet om. Maar wie ben ik om daar een oordeel over te vellen? Hij is een veelvraat, ik een kettingroker. Trouwens heb ik de eer om een van die heerlijk belegde broodjes naar binnen te werken, met al het tumult ben ik vergeten mijn broodtrommel te nemen. Hij heeft zijn vrouw kunnen houden, ik heb al drie trouwaktes ondertekend en al evenveel echtscheidingspapieren. Mark Knopfler’s gitaarsolo weerklinkt door de geluidsinstallatie.
*
De procureur van Ieper doet zijn reputatie weer alle eer aan. Waarom we allemaal van over het ganse land moeten afzakken naar deze uithoek, blijkt nadien weer voor alle aanwezigen een raadsel. De enige die ervan geniet is de procureur zelf. Wat is die vent toch zelfingenomen. Het wordt me hoe langer hoe duidelijker dat hij heel het onderzoek op verjaring wou laten uitdraaien, en het zou me niks verwonderen indien het van hogerhand is opgelegd. Van toeval kan geen sprake meer zijn, als je weet dat er bovenop deze mediageile procureur ook nog eens een incompetente onderzoeksrechter is aangesteld in deze zaak. Nadien schud ik nog wat handjes van collega’s die me een mooi pensioen toewensen, en al dat gezever.
Wanneer we op de terugweg stoppen te Menen, in de Ieperstraat, iets na zes uur ’s avonds, om een lekkere portie friet met vol-au-vent te verorberen in Den Eik, worden we met een glimlach onthaald door de uitbaters, Bart en Stephanie. En met een waar genoegen genieten wij van deze lekkere maaltijd (vraag die twee maar wat sponsoring voor je boek! ;-) . Tevens maak ik van de gelegenheid gebruik om Eddy te bellen, om op de hoogte te worden gebracht van eventuele nieuwe feiten in de moordzaak.
Helaas blijkt niemand te zijn opgepakt, maar de controles zijn nog steeds aan de gang. Ook moet ik vernemen dat de media zich al op de zaak heeft gestort. Terloops vraag ik hem enigszins plagend of hij de ouders al op de hoogte heeft gebracht. Het is ongehoord dat de ouders nog niet zijn gecontacteerd door onze diensten. Daarom stel ik voor dat ik met Bernard rechtstreeks, van hieruit, zouden gaan om de ouders in te lichten. Met hoorbare opluchting gaat Eddy in op het voorstel. Bij het verlaten van de frituur zet Stephanie de televisie op het avondnieuws, en hoor nog net als eerste hoofdpunt onze moordzaak.
*
Bij het oprijden van het erf schijnt het licht van de grote loods ons toe. De duisternis heeft reeds haar intrede gedaan. Het was Bernard alweer gelukt om zonder stratenplan of GPS-systeem deze afgelegen plaats te vinden. Door een wirwar van kleine hobbelige baantjes, die de Kluisberg overwoekeren, heeft hij me feilloos ter plaatse gebracht. Ik, die met moeite mijn eigen flat kan terugvinden wanneer de afstand groter is dan vijf kruispunten, sta steeds weer versteld van zijn kennis van het wegennet. Ik steek (beter: wuif) hem nog eens mijn lof toe, en schouderophalend neemt hij nog een zoveelste belegd broodje in de hand. Vanuit de wagen zien we de familie Desmet aan het werk in de grote loods. Ik kijk Bernard aan en zeg:
‘Deze mensen hebben dit toch niet verdiend. Soms vraag ik me af waarom God zo’n klootzak kan zijn. Als hij al bestaat natuurlijk, want dit zijn van die dagen waaraan ik er toch echt aan twijfel.’
Bernard kijkt me aan met een verontschuldigende blik en een propvolle mond, schouderophalend, niet begrijpend wat hij eraan kon doen. Terwijl ik uitstap zeg ik tegen hem:
‘Jaja, je kunt er ook niks aan doen dat dit een klotenwereld is. Godverdomme, wat een gezeik in onze job en dan nog vlak voor mijn pensioen, moet ik die mensen het verschrikkelijke nieuws gaan brengen dat hun kind werd vermoord. Eddy staat klaar om de leuke dingen (beter: aspecten) van mijn job direct in te palmen, maar de minder leuke laat hij toch nog liever aan mij over. God, je bent een klootzak.’
Bij dit laatste kijk ik verwijtend naar boven. Ik gooi de deur achter me dicht en baan me een weg tussen de plassen naar de loods.
Ik zie het hardwerkende gezin omringd door (beter: van) meer dan duizend kalkoenen. Ze geven ieder beest dat ze te pakken krijgen een inspuiting in hun bek. Terwijl ik me een weg tot bij hen baan, vraag ik me af hoe ze wisten welke beesten ze al hadden ingeënt. Ze waren zo intensief bezig dat ze me niet hadden zien naderen en schrokken toen ik hen aansprak.
‘Goeie avond meneer en mevrouw Desmet. Mijn excuses voor het late bezoek, maar ik vrees dat ik een slechte boodschap breng,’ zeg ik.
Aangedaan over hetgeen ik die hardwerkende mensen te vertellen had, vergat ik mezelf te identificeren. Het eerste wat Jaak me vroeg (tegenwoordige tijd – verleden tijd?) was dan ook te begrijpen (beter: logisch), het nieuws dat ik bracht was helemaal niet te begrijpen.
‘En wie mag jij dan wezen, die hier na acht uur ’s avonds zomaar komt binnenvallen, net of alles van hem is?’
‘Sorry,’ kan ik er vlug uitbrengen. ‘Ik ben Willy Nys, gerechtelijke politie.’
‘En wat kom je hier nog doen?’ vraagt Isabelle me. ‘Het onderzoek naar drugshandel en mensensmokkel dat jullie vorig jaar tegen ons hebben gevoerd was bijna onze ondergang. Mijn vader en mijn schoonmoeder zijn eraan bezweken. Jullie hebben niks tegen ons kunnen vinden, maar ondanks dat schuwen de mensen ons nog. Emily wordt er nog over gepest op school. Excuses hebben we van jullie kant ook nooit mogen ontvangen. Mooi volk zijn jullie. Ofwel maak je zich nu direct uit de voeten, ofwel zorg je dat je een goede reden kunt opnoemen om hier zomaar te komen binnenwandelen. Wat kom je hier nog doen?’
Ik voelde me niet van harte welkom, en als ze eenmaal zouden weten wat de reden van mijn komst was, zou de sfeer nog slechter worden. Daardoor twijfelde ik aan de woorden die ik moest gebruiken. Dit zorgde ervoor dat ik hen schaapachtig sta aan te kijken. Terwijl ik hen aankijk komen ze in een dreigende houding dichter naar me toe, beiden gewapend met een riek. Het is me een raadsel waar die vervaarlijke werktuigen opeens vandaan kwamen. Met de kalkoenen rond mij ben ik beperkt in mijn bewegingsvrijheid, althans zo voelt het toch. Ik voel even met mijn voet aan mijn negenmillimeter pistool dat aan mijn enkel vastgesnoerd zit. Die aanraking stelt me al heel wat meer op mijn gemak. Even overweeg ik of het niet raadzaam is om door middel van een schot of een schreeuw, mijn ‘Dikke Bernard’ aan te zetten om zijn belegd broodje opzij te leggen en hierheen te waggelen. Bernard heeft twee goede eigenschappen die de reden zijn waarom ik hem, ondanks zijn medische afkeuring, in dienst hou als mijn persoonlijke chauffeur. De eerste is zijn kennis van het wegennet en de tweede is zijn schutterstalent, en in mindere mate zijn imposante figuur. Maar deze mindert aanzienlijk wanneer je hem hoort praten met zijn hoog stemgeluid. Daarom zegt hij amper een woord. Ondanks de overtuiging van mijn veiligheid en mijn herwonnen zelfvertrouwen, begin ik toch stamelend te spreken.
‘Wel… euh… ik kom eigenlijk om jullie te melden… euh… wat ik wil zeggen is… euh… wel dat… euh…’
‘Komt er nog wat van?’ snauwt Jaak me toe, terwijl hij een punt van de riek op amper een centimeter van mijn neus houd.
‘Jullie dochter Emily is dood!!’
Dit kwam er heel plots uit. Hun dreigende houding van daarnet is op slag verdwenen. De impact van mijn woorden is net als bij een bom. De rieken vallen op de grond. Isabelle begint te huilen en valt in zwijm in de armen van Jaak. Die neemt haar op in zijn armen en gebaart me hem te volgen. De tranen rollen eveneens over zijn wangen.
*
Bij het betreden van het huis valt me de soberheid op. En ook de sfeer, moest onschuld voelbaar zijn, dan was dit zeker de sfeer die hier in dit sobere huis rondwaarde. Wat me ook opvalt tussen de weinige dingen in de woonkamer, is een kruis. Een kruis gemaakt van tandenstokers, met veel handigheid en vooral een enorm engelengeduld in elkaar gezet.
Jaak komt uit een zijdeur met de mededeling dat Isabelle terug bij (haar) positieven is en straks gaat komen. De hond, een straathond, heeft hij vast in zijn armen. Er valt geen woord tot Isabelle aan de tafel in de woonkamer gaat zitten, rechtover mij.
Jaak staat aan het venster te huilen met een blik op oneindig, en hoofdschuddend.
‘Meneer, wanneer kan ik haar zien, en wat is er gebeurd?’ verbreekt ze de stilte met een doorweende stem, amper in staat een woord uit te brengen door het gesnik. Jaak kijkt me met ijzige ogen aan.
‘Hoe en wat er is gebeurd is nog een raadsel, naar wie hebben we ook nog het raden. Maar vast staat is dat ze is verkracht. Haar beide polsen zijn gebroken, waarschijnlijk door verzet te bieden. En haar keel is overgesneden met een scherp voorwerp. Ze is gevonden in het bos door een voorbijganger die iets vreemds hoorde. Toen hij een kijkje ging nemen zag hij jullie dochter, en hij zag ook nog iemand wegvluchten in een grijze Cherokee. De vluchter zou een groene trui hebben gedragen, alhoewel dit niet zeker is.’
‘Ik ga naar haar kijken,’ zegt Jaak terwijl hij zijn jas van de kapstok plukt.
‘Doe dat niet,’ antwoord ik onmiddellijk.
‘Waarom niet?’ vraagt hij ongelovig. Isabelle is weer aan het jammeren.
‘De lijkschouwer is haar nog aan het onderzoeken. Maar ik beloof jullie dat jullie ze vrijdag mogen zien. Dan zal ze er vredig bij liggen (los), net of ze slaapt. Dat beloof ik.’ Ik kon hen niet zeggen dat wij al moeite hadden met de aanblik op Emily.
Bij deze woorden gaat Isabelle over in (gaat Isabelle over in?? – beter: begint Isabelle..) ) krijsen, en slaat met haar hoofd op haar armen die gekruist op tafel liggen. Jaak buigt zich over haar heen en omarmt haar stevig.
‘Maar ik heb nog een vraag. Waren jullie nog niet ongerust dat ze op dit late uur nog niet thuis was? Op woensdagmiddag is er geen school, en ze is nog maar acht jaar oud,’ vraag ik tussen het krijsen van Isabelle door.
‘Op woensdag ging ze altijd naar oma om gitaarles te volgen, en dan bleef ze daar slapen. Ze kwam de woensdag enkel naar huis wanneer ze moest helpen op het bedrijf of nog schoolwerk voor de donderdag moest doen. En oma zal ook geen argwaan hebben gehad omdat ze weet dat het nu een drukke tijd op het bedrijf is. Maar het werk is niet voor een achtjarige, daarom dachten wij dat ze bij oma was,’ geeft Jaak me ten antwoord met afwezige stem.
‘Ik heb ook een vraagje voor jou,’ zei Jaak. ‘Hoe weten jullie dat het om Emily gaat, onze Emily?’
‘Omdat een van onze agenten haar heeft herkend. Hij woont hier ergens in de buurt,’ zeg ik sereen.
‘Dat zal wel Eddy zijn, die woont hier twee straten verder. Emily ging daar soms spelen, of zijn meisje kwam naar hier. Ze zaten in dezelfde klas,’ zegt Jaak.
‘Inderdaad, Eddy heeft haar herkend,’ zeg ik. ‘Ik beloof jullie dat we de dader gaan (beter: zullen) pakken.’
Isabelle houdt plots op met jammeren en staat recht en neemt het zelfgemaakte kruis van de kast.
‘Beloven?’ vraagt ze me nog steeds snikkend.
‘Ja,’ zeg ik haar vreemd aankijkend.
‘Beloof je het op je ziel? De rust van je ziel?’ vraagt ze me, nu heel ernstig. Terwijl ze het kruis recht voor mijn neus houdt.
‘Ja,’ zeg ik, haar nog vreemder aankijkend.
‘Goed. Je hebt het beloofd op je ziel, aan het kruis dat is gemaakt door Emily, we zullen voor je bidden zodat onze Emily rustig naar de Heer kan gaan,’ zegt ze terwijl ze het kruis terug op de kast deponeert en vervolgens een kruisteken maakt.
Ze neemt vervolgens de hond in haar armen, en zoekt troost bij haar man. Wat een triestig schouwspel. Alweer een drama voor eerlijke en hardwerkende mensen, denk ik bij mezelf. Is het beroepsmisvorming, maar enige achterdocht komt in gedachten op.
Hoe hij er telkens weer in slaagt, is mij een raadsel, maar zonder geluid te maken, verschijnt Bernard in de woonkamer. Als de hond hem opmerkt, wrikt die zich los om zijn domein te verdedigen. Maar eenmaal de hond met zijn poten op de begane grond staat en zijn tegenstander heeft aanschouwd, gaat hij jankend onder tafel liggen, de kolos voor hem aankijkend. De ouders kijken ook verschrikt. Bernard heeft zo’n uitwerking, maar wanneer hij me aanspreekt komt er een glimlach op hun gezicht en de hond, die zijn zelfvertrouwen weer ziet stijgen, is overgegaan in gegrom.
‘Baas, ze hebben een verdachte opgepakt,’ zegt hij met zijn piepstem.
Bij het afscheid herinnert Isabelle me nog eens aan mijn belofte.
*
De verdachte is zichtbaar op de monitor naast de verhoorkamer. Het lange blonde haar bedekt zijn gezicht, terwijl hij voorovergebogen met zijn ellebogen op tafel leunt.
‘Wie is hij?’ vraag ik aan Eddy, die erop stond het verhoor te doen.
‘Frank Maes, 36 jaar, gescheiden, en Caroline kijkt in de computer of hij in het bezit is van een strafblad. Zijn schoenen en kleren zitten onder de modder, en hij bezit een Cherokee. Mijn gevoel zegt me dat hij de dader is, mijn eksteroog geeft me de bevestiging.’
‘Net of de rechtbank uitgaat van uw eksteroog, Eddy. Zie hem zitten in zijn ellende, ik heb er geen goed gevoel bij. Maar deze zaak zit me dan ook helemaal niet lekker. De laatste twee maanden zijn we enkel bezig geweest met kleine inbraken, een paar dronken mannen die teveel kabaal hielden (beter: maakten) in de nacht, een zaak in financieel gesjoemel en die autozwendel die niks oplevert. Ik begon al te denken dat de misdadigers het wat kalmer aandeden (aandoen = aantrekken / hier beter los van elkaar – aan deden) zodat ik rustig met pensioen kon gaan. En net nu, een week voor mijn pensioen, zit ik hier met een moord en verkrachting op een kind van amper acht jaar. En als toetje er bovenop is de media komen aanzwermen als vliegen op een stront. Deze zaak zit me helemaal niet lekker.’
‘Willy, ik beloof je dat deze zaak is opgelost tegen dat jij met pensioen gaat. Je zult kunnen genieten van je oude dag.’
‘Pas maar op met uw beloftes, je zou moeten weten wat voor belofte ik heb gedaan aan de ouders van Emily, dan verklaar je me gek.’
Eddy kijkt me vreemd aan, maar gaat er niet op in. Waarvoor ik hem dankbaar ben. Hij springt van zijn stoel, en roept in de gang:
‘Caroline, iets gevonden of hoe zit het godverdomme?’
‘Ik kom eraan, ben bezig met uitprinten!’ klinkt het van achter de hoek, waar de printer op zijn oude dag wordt uitgeschud.
‘Uitprinten hé? Onze makker heeft een strafblad,’ zegt Eddy, die hoofdschuddend kijkt (al eens iemand hoofdschuddend zien kijken?? – beter: die me jaloers aankijkt) omdat ik de enige stoel in deze ruimte heb ingepalmd. Maar wat kan hij zeggen, tenslotte ben ik nog voor een week zijn meerdere, daarna bij het inpalmen van mijn functie mag hij gerust deze stoel hebben.
Caroline komt het krappe kamertje in, voor elk een dossiertje in de hand. Ik heb meer oog voor de mooie benen die onder haar rok uitsteken dan voor het stapeltje dat ze me aanreikt. Maar ik word al vlug door Eddy terug met de neus op de feiten gedrukt.
‘De rotzak heeft al in de bak gezeten voor verkrachting.’
‘Ja, op een vrouw van 28, nu gaat het om een kind,’ weet ik in te brengen.
‘Verkrachting is verkrachting, jongen!’ werpt hij tegen. ‘Verder nog veroordelingen opgelopen voor inbraak, diefstal, diefstal nog eens diefstal en een hoop onbetaalde boetes op zijn palmares. Ik ga van die eikel een bekentenis afdwingen, wees daar maar zeker van.’
‘Kijk eens naar zijn medisch dossier uit de gevangenis. Hij hoort stemmen in zijn hoofd, die zeggen wat hij moet doen. En hij is mentaal gehandicapt.’
‘Momenteel werkt hij bij de gemeentelijke plantsoendienst waar ze over zijn werk heel tevreden zijn,’ bracht Caroline aan.
‘Wel Willy, als ik daar straks weer buitenwandel heb ik een bekentenis op zak.’
Bernard komt aankloppen en weet ons te melden dat Emily chocolade in haar maag had, en dat er sperma is aangetroffen in het lichaam.
‘Dank u, Bernard. Er zijn ook verpakkingen aangetroffen van chocoladerepen in de Cherokee. Voor zover dit doorslaggevend bewijs is, natuurlijk. Bernard, je mag naar huis hoor. Je hebt prima werk gedaan vandaag, morgen om acht uur op post,’ weet ik te zeggen.
‘Dank u, baas. Tot morgen iedereen.’
‘Volgende week is hij de eerste die ik aan de deur zet. Hij maakt heel het korps belachelijk. De bevolking lacht hem uit waar hij bijstaat (bij staat), en het enige wat hij doet is terug greinzen en verder eten.’
Eddy moest niks van hem weten, maar in de komende week zal ik hem proberen te overtuigen om van gedacht te veranderen. Nu hebben we eerst een andere prangende kwestie om handen. Daarom maakte ik misbruik van mijn macht om mijn opvolger tot actie aan te manen.
“Ga je nog met je verhoor beginnen, of ga je wachten tot iedereen in slaap is gedommeld? Of ga je (drie keer ‘ga je’ na elkaar..) wachten tot dat we op dit uur een zielenknijper hebben bereid gevonden die eerst eens onze mafkees daar gaat onderzoeken of hij wel geschikt is om een deftig gesprek te voeren?
‘Oké, ik ga al baas,’ zegt hij, Bernard imiterend.
*
‘Goeie avond Frank, lekker geneukt vandaag?’ komt Eddy de verhoorkamer binnenvallen, terwijl hij kijkt naar de camera in de hoek.
Frank kijkt op en mompelt iets onverstaanbaars. Nu hij opkijkt, is zijn enorme onderlip vol speeksel zichtbaar.
‘Ik versta je niet Frank! Kan je wat duidelijker praten? Of ben je bezig tegen de stemmen in je hoofd? Lekker geneukt vandaag?’
‘Jaja… lekker geneukt,’ zegt hij net verstaanbaar.
‘Jong poesje gevangen vandaag?’
‘Ik… ik vang geen poesjes. Wel konijntjes,’ stamelt hij.
‘Je valt op konijntjes, en neuk je ook als konijntjes?’
‘Jaja… ik neuk… liefst op zijn hondjes,’ grijnst hij naar Eddy.
‘Een echte dierenvriend zo te horen, maar eentje die verkracht!’
Frank kijkt verschrikt in de ogen van Eddy.
‘Frank, heb je iemand verkracht vandaag?’
‘Ik… verkracht… gedaan,’ stamelt hij.
Eddy kijkt glimlachend op in de camera, maar volgens mij snapt Frank niet dat het over vandaag gaat.
‘Dus je hebt verkracht, heb je ook nog gemoord vandaag?’
‘Ja… konijntjes gedood… lekker njam njam,’ grijns op zijn gezicht.
‘Dus je bekent dat je vandaag hebt verkracht en een moord begaan?’ vraagt Eddy neerkijkend op hem.
‘Ja… ik slecht mens zijn in bos,’ stamelt hij weer. Eddy maakt een overwinningsgebaar voor de camera. Als hij de verhoorkamer verlaat, laat hij Jan, de agent van wacht, weten dat de verdachte weer naar de cel mag gaan. Bij het binnenkomen van het kleine kamertje is hij heel opgetogen.
‘Wat denk je Caroline? Bekentenis in recordtijd of wat?’
‘Voor zover je het een bekentenis kunt noemen. Volgens ons wist hij amper waarover het ging. Nietwaar Willy?’
‘Inderdaad, ik heb al betere bekentenissen zien verwaarlozen (verloren gaan?)in de rechtbank, zodat de verdachte weer binnen de kortste keren op straat stond. Maar in ieder geval praat hij morgen met een psychiater om te bepalen in hoeverre hij in staat is een gesprek te interpreteren. Intussen kunnen we de media zoet houden dat we een verdachte hebben opgepakt. Maar spreek in geen enkel geval tegen hen over een bekentenis, want morgen zouden we onze woorden mogen intrekken. Tenzij je graag voor lul staat natuurlijk…’
Kabaal op de gang en een schot. Verschrikt loop ik naar de deur, instinctmatig met mijn pistool in aanslag.
‘Hij heeft verdomme Jan zijn wapen weten te pakken,’ zeg ik stilletjes tegen Eddy, en doe hem teken dat hij naar de overkant van de gang moet om in het ander deurportiek plaats te vatten, om Frank ook onder schot te houden. We hoorden Jan jammeren (jan jammeren, beetje alliteratie – beter: klagen) tot bij ons. Hij ligt op de grond en voorkomt zo dat de liftdeuren sluiten.
‘Alsjeblieft schiet me niet dood, ik heb een kind van drie en een tweede is op komst. Ik smeek je, schiet me niet neer,’ jammert hij al huilend door.
‘Frank! Leg het wapen neer! Wat bezielt je, man?’ roep ik door de gang.
Frank kijkt me aan en ongetwijfeld moet hij zien dat er zeker twintig wapens op hem gericht zijn. Hij brengt zijn pistool naar zijn (de) mond, en terwijl hij me recht aankijkt schiet hij een kogel door zijn hoofd (beter: schiet hij er een kogel door). Hersenen en bloed spatten in het rond. Hij zakt ineen tegen de rugwand van de lift. Eddy en ik lopen naar de lift. Eddy knielt neer bij Jan, ter hoogte van zijn kruis is er een grote donkere plek te onderscheiden. Eddy helpt Jan recht en begeleidt hem door de gang, weg van de plaats des onheil. Uit de broekspijpen van de nog steeds jammerende en huilende Jan, vormt er zich een spoor van menselijke afvalresten (menselijke afvalresten lijkt een beetje op de container van een amputatiefabriek. Beter: . .. een spoor van urine en platte stoelgang – dju toch, voor een schijtpater moet ik zelf zoeken naar een betere manier van zeggen… J )
Ik kijk naar het in flarden hangende gezicht van Frank. Een beloftevolle jonge agent staat inmiddels naast mij te kotsen, zijn hand steunend op de besmeurde binnenwand van de lift. Jezus, deze zaak stinkt hoe langer hoe meer.
*
Terwijl Eddy de pers wat op de mouw spelt van (over in plaats van ‘van’?) deze onmogelijke wending in de zaak, spring ik nog even mijn kantoor binnen. Wat de reden ook mag geweest zijn voor deze zelfmoord, tot nu toe kan ik er geen rechterkant aan knopen. Bij het binnenkomen van mijn kantoor ontwaar ik de geur van een lekker parfum. Zoekend naar de oorsprong speur ik mijn kantoor af zonder resultaat. Temidden van de werktafel staat mijn broodtrommel voorzien van een gele memo. Het mooie handschrift van Caroline herken ik al van aan de deur. ‘Wanneer je deze vanavond alleen opeet wacht er geen leuk toetje’ staat er op vermeld. Wat krijgen we nu? Is ze me uit mijn tent aan het lokken of heeft ze besloten om een spelletje te spelen? Menig collega heeft al vruchteloos geprobeerd haar in bed te krijgen, maar van een schunnig woordenspelletje is ze nooit bang geweest. Of zou ze mijn steelse blikken hebben opgemerkt en me zo op mijn nummer willen zetten? Zal maar stoppen met piekeren want wat beeld ik me nu in, ze is vijftien jaar jonger dan ik. Dus wat zou zij nu zien in mij, en bovendien ben ik straks met pensioen. Dus zand erover en naar huis, om zonder toetje mijn broodtrommel te nuttigen.
Opeens vliegt de deur open en zonder opkijken begin ik te zeuren over een gebrek aan fatsoen door niet te kloppen. Maar in een oogopslag zie ik weer die prachtige benen van onder een rok verschijnen, en stop direct met zeuren. Ik volg de benen naar boven met grote interesse en sta versteld van wat er te zien valt. Een mooi gevormd lichaam waarop veel twintigers jaloers zouden op zijn, een spannende rok om haar heupen, een blouse met een paar openstaande knopjes, net genoeg om onfatsoenlijk over te komen. En dan dat knappe gezicht met die volle lippen, die volmaakte neus en die prachtige ogen onder een kapsel die (een kapsel DAT open valt) openvalt op die schouders. Het licht geeft een speciale glans op haar donkere lokken. Opeens merk ik dat ze staat te grinniken en kom tot het besef dat ik haar met open mond zit aan te staren.
‘Wat ben je nog aan het doen?’ vraagt ze met haar zachte stem.
‘Ben bezig een lijstje aan het aanleggen van wat nog te gebeuren valt in deze moordzaak, en dan nog de gebeurtenissen eens nagaan.’
‘Je gaat toch niet weer hier slapen?’ vraagt ze enigszins ontgoocheld.
Om het onderwerp te vermijden begin ik over het werk te praten.
‘Hoe stelt Eddy het op de persconferentie?’
‘Natuurlijk heeft een journalist het schot gehoord. Hij zal het mogen uitleggen, maar Eddy kennende zal hij zich er wel doorheen worstelen.’
‘Gelukkig moet ik daar niet voor die opdringerige meute staan, de gebeurtenissen van daarnet zijn gewoon niet uit te leggen. Leg eens die televisie aan (een televisie aanleggen is dialectisch, beter is “Zet eens die tv op”, maar dan lijkt het alsof je een hoed opzet, dus… (even nadenken)), dan kunnen we het volgen op dat scherm.’
Direct gaat de oubollige televisie op de openbare zender staan, en krijgen we Eddy te zien. Microfoons worden onder zijn neus geduwd, flitsen weerkaatsen door het beeld. De vragen vliegen hem rond de oren. Iemand die Eddy kent merkt de nerveuze houding, hoewel een buitenstaander het niet direct zou merken.
‘Hoe komt het dat die halve gare zelfmoord heeft gepleegd?’
‘Wie zegt dat het hier om een halve gare gaat?’ vraagt Eddy geërgerd.
‘Komaan, maak dat de anderen wijs, we weten toch al dat het om Frank Maes gaat, nou moet je het niet gaan ontkennen…’
‘Hoe zou jij kunnen weten wie wij hebben opgepakt voor ondervraging?’ komt Eddy nijdig tussendoor. Nijdig om het feit dat (er kennelijk) een lek in ons midden zit.
‘Ha, ik moet mijn informatiebronnen beschermen, zoals de wet me toelaat hé meneer.’
‘Als jullie toch denken alles beter te weten, dan stop ik nu meteen met deze persmededeling. Verdere reacties komen later.’
Enkele journalisten komen Eddy achterna, maar worden tegengehouden door een paar collega’s, en anderen kijken verwijtend naar die ene journalist.
Vloekend komt Eddy mijn kantoor binnen. Verrast kijkt hij op naar Caroline.
‘Wat een losgeslagen meute daar beneden,’ begint hij.
‘We hebben het kunnen volgen op het nieuws,’ antwoordt Caroline.
‘Je hebt er goed aan gedaan weg te gaan,’ zeg ik. ‘Een cognac om het door te spoelen?’
‘Eén vanuit (gewoon ‘uit’ uw lade) uw lade hé, ik weet dat je daar uw beste fles bewaart,’ grapt hij.
‘Caroline, neem jij eventjes de glazen. Moet je ook wat hebben?’
‘Neen, dank u. Ik moet nog met de wagen naar huis.’
Verrast kijken ze allebei wanneer ik inderdaad een halfvolle fles Remy Martin vanuit de onderste lade neem. Caroline zet zwijgend de glazen op mijn bureau. Ik schenk ze welgezwind helemaal vol.
‘Ben je helemaal belazerd?’ vraagt Caroline geschrokken.
‘Belazerd zullen we zijn als we hier naar buiten gaan,’ antwoord ik lachend.
‘Wat krijg jij nu?’ vraagt Eddy vertwijfeld. ‘Verstand aan het verliezen?’
‘Neen, ik krijg net een geniale inval wat de zaak van vandaag betreft.’
‘Verklaar je eens nader met die geniale inval?’ vraagt Eddy, terwijl hij een grote neut (een ‘neut’ is de borrel zelf, een ‘slok’ zou beter zijn) neemt van de cognac.
‘Wel als mijn geniale inval zou kloppen, dan vrees ik dat mijn inval niet meer zo geniaal zal zijn.’
‘Ja maar, je begint in raadsels te spreken, moest ik je niet beter kennen zou ik je verdenken van wartaal,’ grapt Caroline.
‘Het volgende speelde net door mijn hoofd. Waar is het meisje gevonden? Bij Meetje en Peetje, volgens de legende een voorhistorisch graf. Als je het pad verder volgt kom je uit in de Helle. En de dader is gevlucht in een Cherokee. Kan het nog met meer symboliek worden gebracht?’
‘Je bent blijkbaar al beneveld van (beneveld door) uw cognac, dat kan opgemaakt worden door de onzin die je nu uitkraamt,’ repliceerde Eddy prompt.
‘Blijkbaar veel noten op uw zang, vergeet niet dat ik het hier nog een kleine week voor het zeggen heb.’
‘Mag ik er je trouwens er eens attent op maken dat je nog al uw verlofdagen hebt staan, en die zeker moeten opgenomen worden,’ wist (tegenwoordige tijd/verleden tijd) hij tegen te werpen.
‘Nu helemaal in orde, sinds wanneer hou jij je bezig met het opvolgen van de verlofperiodes bij uw meerdere?’ vraag ik venijnig.
‘Vooral de laatste maand eigenlijk om eerlijk te zijn,’ antwoordt hij grijnzend.
Binnenin kook ik van woede, maar ergens doet het me deugd want ik heb zo een reden om me van dit vuile onderzoek weg te trekken. Daarom
besluit ik dan ook mijn verlofdagen op te nemen. Vreemd genoeg neemt Caroline ook een paar verlofdagen, ergens begin ik al te hopen op een paar dagen samenzijn, afgezonderd van de buitenwereld. Maar vrees van niet. Een mens moet (beter: mag?) toch zijn dromen hebben, nietwaar?
*
’s Morgens word ik wakker ‘met een kater van jewelste’ (tussen haakjes achteraan de zin plaatsen?) op de sofa van mijn riant appartement. De aanblik op de salontafel doet me zuchten, en kreunend naar mijn voorhoofd grijpen. Het aantal lege flessen cognac zijn evenredig aan mijn kater, de asbak bevat de inhoud (beter: oorzaak?) van het schuurpapier dat mijn keel overwoekert. Uit gewoonte kijk ik naar de antieken staande klok, maar kom tot het besef dat tijd voortaan een relatief begrip is als gepensioneerde. Ondanks het brandend gevoel in mijn keel steek ik toch een sigaret op, gevolgd door een zware diepe hoest. De tol van jarenlang roken. Slenterend ga ik naar de keuken en zet een pot koffie, haal in mijn kamerjas de post beneden uit de bus en verfoei die verdomde reclame. Mijn flamboyante buurman, die de inkomhal komt binnenwandelen met zijn laatste vrouwelijke verovering aan de arm, kijkt me nogal vreemd aan.
Eenmaal terug in mijn appartement geniet ik van de verse koffie terwijl ik de krant doorneem. De letters schemeren voor mijn ogen bij het lezen van de krantenkoppen: ALOM GEPREZEN KORPS MAAKT GROTE BLUNDER. Het artikel vertelt in geuren en kleuren het relaas van Franks zelfmoord. Het is duidelijk dat er informatie is uitgelekt van binnenuit. Wolf kan het deze keer niet geweest zijn, want hij was er niet bij. Ook is te lezen dat ik met pensioen ben gegaan en dat een omhoog gevallen bullebak mijn plaats heeft ingenomen. Met een dubbel gevoel leg ik de krant opzij. Ik maak me klaar om mijn spullen op kantoor te halen. Terwijl ik douche schiet het mij te binnen dat Bernard me vanmorgen niet zal hebben gevonden in de kazerne. Hij zal waarschijnlijk onmiddellijk bij Eddy ontboden zijn om een donderpreek te aanhoren. De sukkel… Zijn toekomst hangt nu ook wel aan een zijden draadje met Eddy als overste.
Ik zal straks proberen Eddy er van te overtuigen Bernard in dienst te houden. Al was het maar op een binnenpost.
*
Wanneer ik te voet naar de kazerne wandel passeer ik langs het huis waar ik woonde tijdens mijn laatste huwelijk. Mijn gedachten dwalen af naar vervlogen tijden. Op de laatste avond van ons huwelijk kwam ik hopeloos te laat thuis, mijn werk had me weeral eens opgeslorpt. Jessica, mijn derde vrouw zit me op te wachten, gezicht op onweer. De koude kip en verflanste groenten verspreid over de hele keuken.
‘Hoe was je dag vandaag?’ vraagt (vroeg) ze onmiddellijk.
‘Komaan, je weet dat ik daar niet over praat,’ gooide ik terug, wetende dat het onweer zopas is uitgebroken.
‘Waar praat je eigenlijk wel nog over? Ben je ooit wel eens thuis? Hoelang is het geleden dat je mijn zoon nog hebt gezien? Hoe lang is het geleden dat we met zijn drieën aan tafel hebben gezeten? Ik doe mijn best om hier een gezin te vormen, en jij trekt er maar op los, komt binnenwandelen wanneer het je uitkomt, en dan wil je nog niet praten! Is dit nog een huwelijk of wat?’
‘Voor zover ik me herinner heb ik je gezegd aan het begin van onze relatie dat je mij moest delen met alle gangsters die hier in het rond lopen, je was er zo verdomd mee eens! Ik zal eens proeven van uw kip, maar ik moet schrapen van de muren om wat te krijgen verdomme! En wil je horen met welke dingen ik bezig ben? Zal ik je direct een schets geven! Ik kom thuis, we gaan aan tafel en praten gezellig over onze dag, Bavo vertelt over zijn slechte punten op school, jij vertelt over het gezaag van uw baas en moeilijke klanten, en dan vertel ik heel gewoon, met Bavo in het vizier, vandaag heeft een moeder haar baby een kwartiertje in de magnetron gestopt omdat die niet stopte met huilen! Is het dat wat je wil?’
‘Ja doe maar of je niet weet waar ik het over heb. Je werkt zeven dagen op zeven, je laat alles aan mij over wat het gezinsleven betreft. Heb je geen collega’s misschien die wat werk van je kunnen overnemen?’ werpt ze me pisnijdig toe.
‘Mijn collega’s geven ook het beste van zichzelf om de criminaliteit tegen te gaan, alleen zijn de criminelen in groter getale dan ons. En zij hoeven zich niet aan allerhande regeltjes te houden zoals wij moeten doen. Laat staan dat ze zich rekenschap geven van ons vrije dagen en weekends. Zij kunnen vrij hun gang gaan, terwijl wij voor elke stap die we willen zetten de goedkeuring van hogerhand nodig hebben, en daar wringt het schoentje. Het andere schoentje wringt ook, maar daar heb ik geen aantoonbare bewijzen voor, dus zal ik er maar verder over zwijgen.’
‘Ben je daar weer met uw doofpottheorieën en omkoopzaakjes? Daar zwijg je inderdaad beter over! Of je krijgt er nog eens problemen mee!’
‘Ja ik weet wel dat ik eens uw vader heb verdacht over een omkoopzaak tegen Tony. Bewijzen zijn niet te vinden maar het is een publiek geheim.’
Nu had ik haar echt in het harnas gejaagd, hoewel haar koffers blijkbaar al klaars tonden (van elkaar) in de bergruimte, palend aan de keuken. Want ze haalde die daar vandaan en liep kwaad naar haar wagen, worstelend met de blijkbaar (beter: duidelijk?) zware koffers.
‘Vergeet je zoon niet!’ riep ik nog na.
(in ganse conversatie moeten de tijden nagezien worden, Bart)
‘Hij is al lang bij mijn ouders! Moest (beter: mocht je..) je de afgelopen dagen thuis zijn geweest dan zou je gemerkt hebben dat hij al een week bij mijn ouders logeert!’
Furieus reed ze de oprit af en met gierende banden scheurde ze door de straat.
Onze scheiding verliep vlot, voor zover zoiets vlot kan verlopen. Wat me vooral was bijgebleven is dat haar vader, de rechter, erop aandrong om de scheiding in minnelijke schikking te regelen. Ik moet bekennen dat we eigenlijk nooit een huwelijk hebben gehad, behalve de wittebroodsweken (aan elkaar, dus) dan die ten einde liepen direct na onze huwelijksreis. Sinds de scheiding is ze in Wervik gaan wonen, heeft een vent of tien versleten in een half jaar tijd en is uiteindelijk getrouwd met een gozer uit Brugge (in Brugge zijn geen gozers J) , om terug ongelukkig te zijn. Mijn gedachten worden prompt onderbroken door getoeter van een wagen. Het is Bernard in ‘onze’ anonieme dienstwagen.
*
Het was blijkbaar een item op het nieuws geweest dat ik al met pensioen was, en zo wist Bernard dat het niet raadzaam was om zich in de kazerne te melden rond het afgesproken uur. Hij was aan mijn deur geweest, maar ik heb de deurbel niet gehoord. Daarna was hij terug naar huis geweest (beetje herhaling. Beter: daarna is hij naar huis vertrokken) , nu het reeds elf uur is gepasseerd en ik weer niet opendeed had hij besloten zich toch maar tot de kazerne te begeven. Dat hij niet gemist werd bleek uit het feit dat niemand hem thuis had opgebeld evenmin op zijn diensttelefoon. Eigenlijk zijn we allebei opgelucht om niet alleen naar de kazerne te moeten gaan.
Bij het binnenkomen worden we hartelijk begroet door iedereen, en Eddy was hoorbaar over heel het gebouw. Ik twijfel eraan of ik er goed heb aan gedaan om hem tot mijn opvolger aan te duiden. Hij is niet meer dezelfde persoon. Hij gedraagt zich als een tiran, menig dictator kan er een puntje aan zuigen om mensen af te blaffen.
Ik begeef me dan ook meteen naar mijn bureau en bij het betreden van mijn kantoor is te zien dat al mijn persoonlijke spullen al in dozen zijn verpakt. Eddy heeft er geen gras over laten groeien. Eveneens is een team druk in de weer met opmeten en een ander met een kleurenpallet. Op het bureel liggen brochures van kantoormeubelen, de duurste blijkbaar.
‘Ja ik ga je nu laten want ik heb andere dingen aan mijn hoofd!’, zonder pardon gooit hij de telefoon neer, en richt zich tot Bernard.
‘Ach onze vetzak is dan toch nog komen opdagen! Schrik om alleen te komen? Ja zo een melkmuil ben je wel hé. Van mij moet je nooit meer komen, uw ontslagbrief ligt al klaar aan de infobalie. Nu mijn kantoor uit jij!’
Bernard draaide zich om zonder een woord te zeggen en verlaat (tijden!) het kantoor. Ik kan hem nog meegeven dat hij buiten op mij moest wachten. Ergens hoopte ik dat hij de sleutels van de dienstwagen niet zou afgeven, en ben al dankbaar dat Eddy teveel met zichzelf bezig is om tot het besef te komen dat we nog gebruik maken van de dienstwagen, want ik zie het niet goed zitten om al mijn spullen naar huis te dragen. En een taxi moet van een naburig dorp komen, een half uur rijden.
Eddy spreekt me opeens heel beleefd aan.
‘Hoe gaat het met onze gepensioneerde? Wat ga je doen met al uw vrije tijd? Ga je terug op vrouwenjacht? Of ga je reizen? Zeg eens wat je nu gaat doen.’
‘Eddy, je manier van werken tegen de collega’s valt me zwaar tegen. Je bent een heuse onbeschofterik geworden. Waarom zet je Bernard aan de deur? Je weet evengoed als ik dat hij nergens werk kan vinden. Ben je nu echt zo onmenselijk geworden? Ben je vergeten dat hij je eens het leven heeft gered door eens een kogel door het hoofd te jagen van een crimineel die jou gegijzeld hield, en het enige wat jij toen kon doen was jammeren. Als het niet van Bernard was, dan had je een staatsbegrafenis gekregen met een glimlach van oor tot oor. Maa
Reacties:
- IngeRocky - 17/11/07 10:49
Dit verhaal leest al een zoet broodje, het is spannend en tevens komt er hier en daar hummor aaan te pas. De enige zin waar ik het een beetje moeilijk mee had was de volgende 'hoewel haar koffers blijkbaar al klaars tonden'. Ik vraag me af of hier geen typfout in is gekropen.
Wat me ook is opgevallen is dat je veel dingen tussen haakjes hebt gezet. Soms was dat nodig maar soms ook te verwaarlozen.
Verder kan ik nu niets anders dan hopen dat het vervolg van dit verhaal er vlug komt. Omdat je mijn nieuwsgierighied hebt weten op te roepen naar het vervolg en het einde van je verhaal.
Graag gelezen mvg IngeR
Login
Paswoord vergeten?
6 gasten / 0 gebruikers
Jarigen
- Geen jarigen vandaag
Laatste posts
- De lach van.. wil melker
- Geurt naar.. wil melker
- De kop die.. wil melker
- en de rust Hans van der Vlugt
- In hypnotiseren wil melker
- Voor gods.. wil melker
- Tussen ijs en.. wil melker
Laatste reacties
- Hans.... wil melker
- Hoi Wil ik.. Hans van der Vlugt
- Hans.... wil melker
- Hallo wil,.. Hans van der Vlugt
- De pannekoek.. Philippe
- Operatie Henk Gruys
- Bedankt.. Philippe
- Ik hou het.. Katja Bruning
- Ik heb hier.. Fred de Koning
- Schrijfzolder Henk Gruys
- Ik plaats.. Philippe
- Ik zet de.. Fred de Koning
- Apostrof Henk Gruys
- Maar.. Fred de Koning
- Ik weet het.. Fred de Koning
- Ik kwam op.. Henk Gruys
- .. Philippe
- Wat is.. Philippe
- Er zit helaas.. Henk Gruys
- Dag Hans,.. Philippe