Een verhaal van warket
Vorige: Jongensspelletjes
Volgende: Het sprookje van Kabouter Brompot
Het is drie februari tweeduizend en zes, namiddag tegen het avonduur. Ze hunkert. We vertrekken.
De omgeving is met vorst bedekt. Er vallen sneeuwvlokken heel even maar. Het wordt donker. Het gaat nog harder vriezen.
De ochtend daarna is de omgeving ontdooid. Voorlopig geen vodden aan deurkieren meer, geen vorstbril tegen tranende ogen, handschoenen uit. De strijd tegen de vrieskou is daarom nog niet gestreden. De winter ligt nog altijd op de loer.
De boenwas is op. Ik fiets langs het Zoniënwoud naar de Hoogstraat in Brussel om een nieuwe pot. Het verkeer loeit de stilte weg en teert de longen. De Franklin Rooseveltlaan, langs beide zijden geflankeerd door appartement- en bureelgebouwen met onbelopen voetpaden heb ik lang niet meer bereden. Dan de chique avenue Louise. Ik ben Brussel in gereden. Van hieruit gaat het naar de Marollen. Langs het Zuid strand ik in Anderlecht in stegen waar het zwerfvuil zich opgestapeld heeft. Er is een kapperszaak. Voor de vitrine hangt een poster van Jacques Dutrong en Jonny Halliday. Ertussen een blad papier met handschrift beschreven: cinq euro la coup. Het zit er stampensvol. Het haar wordt hier geknipt zonder onderscheid van gestalte, ouderdom of afkomst. Iedereen is er gelijk. De tondeuse wordt met de hand bediend. Als kind ondervond ik dat het soms pijnlijk kan zijn. In het café op de hoek, chez Sharif, zitten ouderlingen getooid in lichtbruine wollen kleren broederlijk te slurpen aan in limonadeglazen uitgeschonken thee. Hun ogen zijn helder, hun lippen spreken welgemeend. Die Arabische taal heeft iets heftigs; is zangerig. Marokkanen en Algerijnen zullen me hier niet omver rijden. De Afrikanen wonen aan het Zuid. Daar zijn de reisbureaus die je voor een appel en een ei met een minibusje naar verre oorden brengen. Moslims, zatlappen, schooiers, brabbelaars met een pruik op hun kop. Hier hoeft men zich voor niets te schamen.
Aan de rivier onder de spoorwegbrug zitten twee eenden mekaars veren te schikken. De loodsen aan de overkant lijken verlaten. Toch spuwen schouwen witte rook. Er rijdt een goederentrein voorbij. De pilaren van de brug zijn met graffiti beschilderd. Een rood hartje met een pijl doorkliefd en daarnaast de namen van Gert en Fien.
Het wordt tijd voor een dronk uit de trog. Wat bent u mooi, lieg ik veel later tegen het oprukkende donker.
Reacties:
- Er zijn nog geen reacties
Login
Paswoord vergeten?
9 gasten / 0 gebruikers
Jarigen
- Geen jarigen vandaag
Laatste posts
- Een.. wil melker
- De lach van.. wil melker
- Geurt naar.. wil melker
- De kop die.. wil melker
- en de rust Hans van der Vlugt
- In hypnotiseren wil melker
- Voor gods.. wil melker
Laatste reacties
- Hans.... wil melker
- Hoi Wil ik.. Hans van der Vlugt
- Hans.... wil melker
- Hallo wil,.. Hans van der Vlugt
- De pannekoek.. Philippe
- Operatie Henk Gruys
- Bedankt.. Philippe
- Ik hou het.. Katja Bruning
- Ik heb hier.. Fred de Koning
- Schrijfzolder Henk Gruys
- Ik plaats.. Philippe
- Ik zet de.. Fred de Koning
- Apostrof Henk Gruys
- Maar.. Fred de Koning
- Ik weet het.. Fred de Koning
- Ik kwam op.. Henk Gruys
- .. Philippe
- Wat is.. Philippe
- Er zit helaas.. Henk Gruys
- Dag Hans,.. Philippe