Een proza van warket

Vorige: begin 2009 Volgende: mijmeranda
zijbijmij, de eenzaat en het paard
We gingen op reis naar het zuiden op een avond in een stad volgebouwd met restaurants. De kelners probeerden op straat klanten binnen te lokken. Er heerste een enorme drukte. We besloten om met ons lichaam over de stad te vliegen waarna we in weiland terecht kwamen. Daar ontmoetten we een eenzaat die een paard bezat in een wei. Telkens als iemand voorbij kwam sprong het paard over de omheining om de voorbijganger te groeten.
Op een keer was het paard alleen en vonden we de eenzaat in een sloot met zijn bovenlichaam verstijfd. Ze droeg hem op haar schouders. Hij leefde nog maar sprak niet meer. We brachten hem naar het dichtstbijzijnde huis.
Daarna stonden we in een groot gebouw met veel verdiepen. Beneden waren ze het aan het verbouwen. Mijn vader liep tussen de werklieden en had een leidende rol. Hij was nog jong, feitelijk jonger dan ik. Ze stoomden behangpapier van de muren.
Ik ging buiten en stak een Cubaanse sigaar op die ik van een vriend gekregen had op een feest. Er was een scheur in de sigaar en het tabaksblad verpulverde in mijn mond.
Plots besefte ik dat ze verdwenen was. Ik was eenzaam en in paniek, ging op zoek in het groot gebouw maar vond haar niet. In elke kamer waar ik binnen kwam waren de mensen kwaad om mijn onverwacht bezoek. Ik voelde me zeer onderdrukt en had een groot verlangen naar haar. Zonder haar zou ik dit leven niet overleven.
Dan ging ik naar het huis waar we de eenzaat achter gelaten hadden. Hij leefde nog en zei: ze is hier geweest en is net vertrokken.
Ik ging buiten en vond het paard.
Log in om uw stem te geven aan deze inzending.

Reacties:

  • Er zijn nog geen reacties