Een proza van warket

Vorige: vrijdag 26 december 2008 Volgende: zijbijmij, de eenzaat en het paard
begin 2009

Vannacht riep een uil vanuit het gebergte. Dankbaar voor de schaduw op dit tafelblad ruik ik aan mijn pols terwijl honden blaffen in het dal. De uil zwijgt allang.

Met een stoel aan de afgrond zwabbert een lachtraan aan Marco’s neus. Vanavond maken we een kieken klaar.

Mijn nek kraakt als ik achterover leun. De tafel wiebelt. Ik hoor het van de inktpot.

Elke ochtend beitel ik aan een houtstapel een gedicht van steen voor iemand die ik nauwelijks ken. Een ongekende die elke morgen mijn woorden leest in een wereld voortdurend in het schemer.

Eens onderweg hoor ik er niet meer bij, gebeuren ongelukken met schade en menselijk leed. Alleen de bouwwerven blijven veilig.

Ik ben als eerste opgestaan en veeg etensrest van tafel. Nog voor de vrouwen verschijnen is de koffie klaar.

Na het ontbijt drinken we champagne in een regenwolk, beuken mijn gedachten tegen een rotsmassief.

Doe het venster dicht. Dat houdt het gedierte buiten zeg ik tegen haar.


Begaanbaarheid afbakenen in de sneeuw. Ik heb het lang niet meer gedaan. Ik hoop nog steeds dat de sneeuw blijft liggen, wit onder een ijskoude blauwe hemel met in het nachtelijk uur sterren en een wassende maan. Ik herdenk de doden die ernaar keken.

Log in om uw stem te geven aan deze inzending.

Reacties:

  • Er zijn nog geen reacties