Een proza van warket

Vorige: tocht Volgende: invlucht
herfstbladeren

Inea negra, de onzichtbare grens tussen zijn en niet zijn.
Cesar Alberto Torres, ochtendgloren, zei in zijn zoektocht naar gelijkgezinden, dat een sacraal voorwerp aan zijn omgeving onttrekken het evenwicht verstoort.
Een gitan kuste hem als verwelkoming op zijn beide wangen. Hij voelde een scherp voorwerp in zijn hals. Op dat ogenblik wist hij dat hij aan het dromen was. Hij stapte te vroeg uit een autobus en ging met een verlammend gevoel te voet verder door een wirwar van bedrijvigheid. Het koste hem moeite om een weg over te steken...
Gekliefd door te weinig slaap wordt hij 's morgens wakker. Om precies te zijn: ze porde hem meermaals wakker. Dat deed ze op een zachte manier.
De eerste keer dacht hij dat hij midden in de nacht aan het snurken was. Helaas bleek dat een illusie te zijn toen hij naar de klok keek. Toch klapten zijn oogleden opnieuw dicht.
Toen ze hem de tweede keer aanstootte besefte hij dat het menens was. Nog vijf minuten verder slapen, dacht hij dan. Opnieuw vielen zijn ogen loodzwaar dicht.
De derde keer werd een ultimatum. Hij zou zich niet scheren en zijn tanden maar kortstondig poetsen. Zo had hij nog tien minuten respijt.
De vierde keer dwong hij zijn lichaam uit de slaap en zat hij op de zijkant van het ledikant, zijn hoofd steunend tussen nog slappe handen. Zelfs zittend viel hij opnieuw in slaap.
Het noodgedwongen rechtop gaan staan was als een onevenwicht tussen hemel en aarde. Het was alsof hij verstrengeld geraakte in zijn pyjama. Zijn ogen waren nog aan het duister gewend. Hij keek naar haar, hoe ze daar met gekruiste armen onder haar hoofd lag verder te slapen.
Nu gaat hij wankelend langs de wenteltrap beneden, zet hij de more op het vuur, schenkt hij zichzelf een tas koffie in en rookt hij buiten een eerste sigaret. De vrijdag begint. Morgen slaapt hij uit.
Door nog verlaten straten klieft hij in stilte de vroegte.
De wind, ge voelt hem rond uw kaken gaan maar ge ziet hem niet, dacht hij. Als een spook doet hij de dingen bewegen. Het is geneveld. De raven vliegen er spookachtig door. Terwijl snot en slijm uit zijn neus en keel druipen ziet hij hun vliegende gedaante vanuit zijn eigen beweging. Halverwege kan hij het zich niet laten even stil te staan om te kijken naar het allermooiste dat hoogbejaarde kunstenaars al duizend jaar proberen te vereeuwigen: pril ochtendlicht dat vertederend over sidderende grashalmen kruipt.
De opkomende zon heeft een tijdelijk knoopsgat in het wolkendek gevonden. Zolang die schoonheid hem blijft verbazen stroomt een vreemd geluksgevoel door zijn aders. Hij zal bij zonsondergang terug keren in uitstervend licht.
Overdag gaat hij over afgewaaide bladeren die bomen kalen. De speelpleinen zijn verlaten. Meer en meer vinden de stadsduiven er hun territorium.
Over het park cirkelen meeuwen op zoek naar etensresten. Elke dag komt een bejaarde hen voederen aan de rivier. Het is een wederkerend herfstritueel.
De bejaarde van de rivier is vandaag niet gekomen. Misschien is hij ziek of is hij in zijn slaap ontleefd.
Dan  begeeft hij zich naar een afgelegen begraafplaats om bijna plechtig naar de inscripties en beeltenissen te kijken van overledenen.
In dat sereen landschap met zijn stenen zerken rust de nagedachtenis als een heiligdom op een grens naar niemandsland. Hij slentert erdoor als een levende passant, langs zij die hem voorafgingen. Lichamen, vergaan in deze grond.
Hij hoort zijn voetstappen in de kiezel en gaat verder zonder een ogenblik stil te blijven staan.
Verderop is nog een begraafplaats van onbekenden waar geen grafzerken staan maar wit geschilderde kruisen met namen ingegrift. Een plaats perfect onderhouden uit respect voor heldenmensen uit een tragiek van een recent verleden. Geen teken van kruidsleven.
Aan de trappen op een viersteense muur eet hij appelsienen. Een spin maakt een web tussen zijn fietszadel en een dicht bijzijnde struik. Hij vraagt zich af  hoe ze dat doet. Vooral het begin moet moeilijk zijn.
Soms zit hij daar aan rust en stilte bezweken te kijken naar afgestorven bladeren opgehoopt in kieren van een brede stenen drietredentrap.
Er fietst een man voorbij. In zijn fietszak steken chrysanten.
De man fietst opnieuw voorbij. Deze keer zonder chrysanten. Die heeft hij op een grafzerk gelegd. Hij fietst in tegenwind.

Log in om uw stem te geven aan deze inzending.

Reacties:

  • Er zijn nog geen reacties