Een proza van warket

Vorige: droomhuis Volgende: herfstbladeren
tocht

Hij heeft toevallig een mens vermoord in zijn droom en begraven. De grond is nog korrelig. Hij had zijn dode beter verbrand of in een beerput gegooid. Maar nu is het te laat. Hij heeft hem begraven en durft hem niet meer opgraven. Hij is bang dat hij hem niet diep genoeg gelegd heeft, dat iemand voorbij zal komen en de uit de grond komende stank zal rieken, of dat een hond het lijk zal opgraven zodat ze zouden zien dat hier een mens gesmoord en begraven werd.
De volgende dag komt hij terug om niks verdachts te ruiken. Hij heeft een zware steen meegebracht. Een onopvallende anonieme grafsteen. Vanaf nu kan hij zichzelf  begraven in fatsoen en eeuwig stilzwijgen.
Terwijl zijn dode roerloos stinkend onder de grond hem kwelt met angst om betrapt te worden, denkt hij aan die dag toen ze mekaar ontmoet hadden.
Laten we nog eens bijpraten, had ze gezegd. Ze hadden mekaar jaren niet meer gezien. Die ochtend was hij vroeg vertrokken. Hij zou bij haar langs komen. Dat hadden ze afgesproken. Ja, heel graag, had ze gezegd.
Voor hij vertrok had hij een slok absint gedronken om de kilte te verdrijven. Dan had hij aan haar gedacht, of ze eruit zou zien als het beeld dat hij zich nog herinnerde, hoe haar stem zou klinken en hoe ze woonde op het adres dat hij opgeschreven had.
Hij fietste op kruissnelheid  zonder omwegen te maken. Een enkele keer twijfelde hij in een gewijzigde omgeving. Plaatsen veranderen snel. De kou deed zijn ogen tranen. Uren was hij onderweg.
Toen hij aanbelde kon hij nog net een glimp opvangen van haar nieuwe vriend die vertrok. Ze had hem eerder al verteld dat ze niet monogaam was, en of dat hem choqueerde, had ze nog gevraagd.
Helemaal niet, had hij toen gezegd. Het is menselijk.
Ik eet en slaap niet meer van verliefdheid zei ze meteen en ik krijg rimpels in mijn gelaat.
Hij had champagne meegebracht.
Je bent vermagerd maar van die rimpels zie ik niks, had hij geantwoord terwijl ze een champagne- en limonadeglas uit de kast nam. Je ziet er verrukkelijk uit.
Ze had van die mooie ogen als een verdwaalde ster. Hij had het weer herkend,  die glimlach die nooit voluit ging alsof een mysterie haar tegenhield. Misschien kwam het door haar minnaars die ze een voor een als bloedende ridders achterliet op het slagveld van de sleur. Hij mocht haar gratie verdienen door geen minnaar te zijn.
Ik hou nog steeds van jou, had hij in een opwelling gezegd.
Je zou mijn vader kunnen zijn, had ze ondeugend geantwoord.
Weet ik wel, maar toch is het zo. Nog wat champagne voor het ontbijt?
Hij had naast haar gestaan toen ze zich opfriste voor de spiegel. Hij wou weten hoe ze dat deed.
Daarna hadden ze ontbeten aan een hoog taboeret en van op een bank naar het water gekeken. Het had wel iets meer dan alledaagsheid.
Heb je nog tijd om te winkelen, had ze gevraagd.
Hij had dagen tijd.
Ze wou een short dat ze in een vitrine had gezien. Toen ze uit het pashokje kwam had hij voor het eerst haar blote benen gezien. De
short was een maat te groot.
Ik ben niet graag alleen, zei ze.
Hij wel. Dan kon hij de wereld absorberen.

Log in om uw stem te geven aan deze inzending.

Reacties:

  • Er zijn nog geen reacties